Bejaarde beulen

Uit: Algemeen Dagblad, zaterdag 26 april 2003.

Waar wonen in Duitsland de voortvluchtige nazibeulen van Nederlandse afkomst? Wat hebben ze met hun leven gedaan? En hoe reageren ze op een confrontatie? Het Algemeen Dagblad wist vijf van de zes oorlogsmisdadigers op te sporen.

DOOR EDDY VAN DER LEY

Bejaarde beulen

Dertig kilometer onder Stuttgart, op een klein uur rijden van de Zwitserse grens, ligt Tübingen. Veel is er in het stadje niet te beleven. Voor het rauwe nieuws zijn de 40.000 inwoners aangewezen op de media. Voorheen kochten de mensen hun krantje bij de tabakszaak van Toon Soetebier, Thomas voor de Duitsers.

Niemand die maar een flauwe notie had van diens verleden als SS-officier in Kamp Erica bij Ommen. Ook anno 2003 is Tübingen onwetend van de folterpraktijken die de geboren Drent er in de Tweede Wereldoorlog op nahield.. „Thomas? Prima kerel”, zegt de huismeester van het desolate appartementencomplex waar nu de 83-jarige Soetebier woont. „We hebben vaak samen gevist op forel en snoekbaars, maar dat lukt hem nu niet meer. Hij is ernstig ziek.”

Soetebier door justitie opgeroepen als getuige in het proces tegen ex-collega Bikker, lijdt aan kanker in een terminaal stadium. De huisbaas en zijn directe buurman roepen, bezorgd als ze zijn, de politie erbij als hij na herhaaldelijk aanbellen niet reageert. Nog geen kwartier later kloppen twee dienders bij Soetebier aan. Achter de deur blijft het stil. Met stemverheffing dan „Herr Soetebier, aufmachen bitte!” En ja na enige seceonden zwaait de deur open.

Een klein, graatmager en tandloos mannetje met een grote bril kijkt verdwaasd de wereld in. Van de gevreesde nazibeul, veroordeeld voor de moord op talloze onderduikers, is weinig meer over. Op vragen over de oorlog wenst hij aanvankelijk niet te reageren. In een mengelmoes van Nederlands en Duits zegt hij:„Ik hoef me aan jullie niet te verantwoorden. Jullie kunnen beter op zoek gaan naar Saddam Hussein. Ik ben ziek en heb hooguit nog twee maanden te leven.” Hij toont pontificaal een enorm gezwel aan zijn buik.

Of hij is opgeroepen voor het proces tegen ex-collega Bikker? Soetebier haalt zijn schouderpartij op. „Bikker? Ken ik niet.” Twee dagen eerder heeft officier van justitie Maass nog verklaard telefonisch contact met Soetebier te hebben gehad. Maar de gewezen SS-er volhardt in zijn ontkenning. „Ik weet nergens van.”

Soetebier woont nog zelfstandig, maar krijgt dagelijks bezoek van zijn dochter. „In totaal heb ik vijf kinderen, een aantal woont in Nederland.” In het bijzijn van de politie komt de geboren Coevordenaar wazig over, maar als de agenten in de lift verdwijnen, pakt hij plots de arm van de fotograaf en zegt in vloeiend Nederlands en met indringende ogen: „En nu onder ons, jongeman. Ik heb niemand vermoord, hoor je?! Niemand!” Dan laat hij los en schuifelt weg.

Noot: Toon Soetebier stond als volgt gesignaleerd in het Bijzonder Opsporingsbulletin:

SOETEBIER, Toon,
geboren te Coevorden op 4-7-1918
Onherroepelijk veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf door de bijzondere strafkamer Assen op 8 maart 1949 (101, 102 Sr). Laatst bekende woon- of verblijfplaats (1989): Wennfelder Garten 30, Tübingen (BRD).
Expiratiedatum: verjaart niet.

Uit: Algemeen Dagblad, zaterdag 26 april 2003.

Waar wonen in Duitsland de voortvluchtige nazibeulen van Nederlandse afkomst? Wat hebben ze met hun leven gedaan? En hoe reageren ze op een confrontatie? Het Algemeen Dagblad wist vijf van de zes oorlogsmisdadigers op te sporen.

DOOR EDDY VAN DER LEY

In het glooiende landschap ten zuiden van Hagen, op de scheidslijn van Ruhrgebied en Sauerland, ligt Altenbreckenfeld. Van ondernemerschap lijkt in het plaatsje geen sprake. Of toch? Plotseling doemt een bord op met de tekst Zaunbau aller art. Hier moet Siert Bruins wonen, ex-nazibeul van de Sicherheitsdienst, die onder meer schuldig is bevonden aan de moord op de gebroeders Sleutelberg. Dat het tuinbedrijf van de gewezen SS-er gefloreerd moet hebben, hadden we al opgemaakt uit de plaatselijke Gouden Gids: het 40 jarig bestaan is reeds gevierd.

Opvallend: de naam Siert Bruins is verbasterd tot het Duitse Siegfried Bruns. Zijn drie zoons, allen werkzaam in het tuinbedrijf van de familie, dragen wel de originele, Nederlandse achternaam. Het drietal heeft het in de jaren 80 een fikse periode zonder hun vader moeten doen. Bruins, toen een beginnend zestiger, zat een straf van vijf jaar uit wegens gruweldaden in de Tweede Wereldoorlog. De Duitse rechter had hem alsnog vervolgd, op aangeven van nazi-jager Simon Wiesenthal.

In Altenbreckenfeld stuitte de veroordeling van Bruins op hevig verzet. Met felle protesten probeerden dorpsbewoners de rechter van vervolging te doen afzien. Bruins was een ‘vooraanstaand en uiterst respectabel burger’, zo luidde de motivatie. Maar het verzet haalde niets uit, de voormalig SS-er verdween achter de tralies.

Langzaam draait een rode Volkswagen Golf de parkeerplaats achter huize Bruins op. De kentekenplaat (met de initialen SB) maakt veel duidelijk, het Nederlandse accent neemt de laatste twijfel weg: het is de nazibeul zelve. Toch vlucht Bruins in ontkenningen. „Ik ben Bruins niet”, reageert hij. Siegfried Bruns dan? „Nee ” Bruins oogt geschrokken. Hij heeft toch niets te verbergen? „Nee, nee.” Een paar vraagjes maar, over de Tweede Wereldoorlog? „Nee , verleden tijd.”

Dan neemt de sfeer grimmiger vormen aan. „Van mijn land af”, blaft een rood aanlopende Bruins, „of ik bel de politie!”. Hij zwaait met zijn armen, loopt dreigend op de fotograaf af. „Nee, ik ga niet slaan, maar opgerot nu.” Scheldend vlucht hij zijn huis in. De Duitse vrouw van Bruins, dezelfde avond via de telefoon: „Siegfried Bruns of Siert Bruins? Ken ik niet.” Een dag later, andermaal telefonisch: „Mijn man wil niet meer praten over de oorlog, het was een andere tijd.”


Uit: Algemeen Dagblad, zaterdag 26 april 2003.

Waar wonen in Duitsland de voortvluchtige nazibeulen van Nederlandse afkomst? Wat hebben ze met hun leven gedaan? En hoe reageren ze op een confrontatie? Het Algemeen Dagblad wist vijf van de zes oorlogsmisdadigers op te sporen.

DOOR EDDY VAN DER LEY.

Op 15 kilometer van de grens bij Kerkrade ligt Eschweiler. In de wijk Notberg woont de nu 81-jarige Heinrich Boere. De Limburger maakte in de Tweede Wereldoorlog deel uit van het beruchte SS-moordcommando Feldmeijer. Deze geheime eenheid, bestaande uit Nederlandse SS-ers die van het Oostfront waren teruggekeerd, liquideerde 55 vooraanstaande Nederlanders die als anti-Duits bekend stonden, onder wie de schrijver A.M. de Jong en de burgemeesters van de plaatsen Someren en Asten. De zogenaamde Silbertanne-moorden waren een vergelding voor het neerschieten van NSB-ers door het verzet.

Na drie kwartier posten komt een bejaarde man met een stok en gekromde rug langslopen. Of hij Heinrich Boere is? „Ja, hoezo?” vraagt hij op vriendelijke toon. Boere is zowaar bereid zijn daden toe te lichten. Op een bankje in de achtertuin vertelt hij, met een Duits-Limburgs accent, honderduit over zijn leven als oorlogsmisdadiger.

Boere doet zijn relaas zonder een spier te vertrekken. Op koele en emotieloze wijze praat hij over de moorden die hij pleegde. „In opdracht van de Sicherheitsdienst moesten we mensen doodschieten. Ik heb dat twee keer gedaan. Je belde bij iemand aan, vroeg of hij de persoon was die wij hadden opgekregen en als er een bevestiging volgde, schoten we hem zonder pardon dood en gingen weg. Wat ik op die momenten voelde? Niets, helemaal niets. Ik heb er later ook geen moment wakker van gelegen. Vergeet niet dat wij onder druk werden gezet. Als we niet aan de opdracht voldeden, zouden we zelf aan de beurt zijn. Bevel was bevel.”

Boere had zich in 1939 als vrijwilliger aangesloten bij het Duitse leger, op advies van zijn moeder. „Dat fanatieke had ik van haar, zij was Duitse. Mijn vader, een Limburger, was wat rustiger.” Hij vocht aanvankelijk met de Duitsers aan het Oostfront. Met zachte stem zegt hij: „Ik heb er op doden gezeten, de lijken stonken nog niet echt.”

In 1945 werd Boere krijgsgevangen gemaakt en tewerk gesteld in de kolenmijnen van Zuid-Limburg. Uit angst voor een lange straf ontsnapte hij tijdens een transport uit een arrestantenwagen. Boere vluchtte naar het naburige Duitsland, waar een broer van zijn moeder woonde. Liefst zeven jaar zat hij ondergedoken in een kast. „Twee keer kwamen Nederlandse politiemensen op bezoek, ze wilden me arresteren. Maar ze ontdekten me niet.”

Uiteindelijk gaf Boere zich aan bij de plaatselijke autoriteiten, die hem in ‘uitleveringsgevangen- schap’ namen. Door een uitspraak van de rechtbank in Keulen herwon hij zijn vrijheid. „Althans, in Duitsland. Als ik daarentegen voet op Nederlandse bodem zet, kan ik worden gearresteerd. Dat is lastig. Zo heb ik de begrafenis van mijn moeder niet kunnen bijwonen.”

Boere sleet zijn werkzame leven als mijnwerker, in het naburige Alsdorf. Op 54-jarige leeftijd raakte hij werkloos. Getrouwd is hij nooit geweest. „Kon ook niet omdat ik statenloos ben. Ach, ik heb wel relaties gehad, maar de vrijheid is het allermooiste.” Dat die opmerking pijn doet bij nabestaanden van zijn slachtoffers, kan Boere zich best voorstellen. „Maar aan de andere kant: het was een andere tijd met andere wetten.”


Uit: Algemeen Dagblad, zaterdag 26 april 2003.

Waar wonen in Duitsland de voortvluchtige nazibeulen van Nederlandse afkomst? Wat hebben ze met hun leven gedaan? En hoe reageren ze op een confrontatie? Het Algemeen Dagblad wist vijf van de zes oorlogsmisdadigers op te sporen.

DOOR EDDY VAN DER LEY.

Diep verscholen in het middenrif van Duitsland, op acht kilometer van de voormalige grens met Oost-Duitsland, ligt Datterode. Het idyllische vergezicht is al 50 jaar de woonplek van ex-SS'er Dirk Hoogendam. In het Drentse Hollandscheveld tuigde hij in WO-II eigenhandig gevangenen af, een aanpak die hem de bijnaam Der Bokser opleverde. Hij kreeg de doodstraf voor marteling, mishandeling, landverraad en het deporteren van vier Nederlanders, die door hem de dood werden ingestuurd. Onder hen de burgemeester van Gramsbergen.

In 1946 ontsnapte de uit Oostvoorne afkomstige Hoogendam uit een gevangenkamp op de Veluwe, om emplooi te vinden in het Duitse Datterode. Daar trouwde hij een Duitse, veranderde zijn naam in Dieter Hohendamm en bouwde een bestaan op als groentehandelaar. De voormalige SS-er dacht na zijn werkzame leven van zijn oude dag te kunnen genieten, totdat hij in 2001 door journalisten werd opgespoord. De geschrokken Hoogendam, plots weer in beeld bij justitie, startte een procedure om de gepleegde feiten verjaard te krijgen, maar kwam niet langs de Hoge Raad, die bepaalde dat het vonnis onherroepelijk is.

De Nederlander woont fraai, in een vrijstaande semi-bungalow aan de voet van een helling. Hij heeft het huis zelf gebouwd. Ja, hij was een harde werker, zeggen dorpsgenoten. En pas op: geen kwaad woord over Dieter, want wie aan Hohendamm komt, komt aan hen. Vorig jaar gingen buren van de ex-nazibeul zelfs op de vuist met een cameraploeg. En ook nu werkt het Nederlandse nummerbord als een rode lap op een stier. „Laat hem met rust”, is de teneur van de reacties. Zo denkt de echtgenote van Hoogendam er ook over. Ze drukt haar gezicht tegen de deur, maar als de herkenning uitblijft zegt ze: „Wie zijn jullie en wat komen jullie doen? Wat? Uit Nederland? Voor mijn man? Ehh, wij zeggen niets meer, hoort u!” Nog geen vijf minuten later arriveert een grijze Audi A4. Een vijftiger stapt uit, het gezicht op onweer. De man is een familid van Frau Hohendamm. „Gaat u weg” zegt hij, „Dieter wil niet praten. Hij is zich weer kapot geschrokken. Ieder keer als hij een Nederlands nummerbord ziet, slaat hij op tilt.”

Sinds de ontdekking in 2001 is Hoogendam zichzelf niet meer. „Hij is een compleet ander mens geworden. Schichtig, bang. Dat hij oorlogsmisdaden heeft begaan? Ach, het was een andere tijd, meneer.”


Noot: Bericht in DAGBLAD VAN HET NOORDEN, van woensdag 13 augustus 2003.

Oorlogsmisdadiger Dirk Hoogendam overleden

De Nederlandse oorlogsmisdadiger Dirk Hoogendam (81) is vrijdag in zijn Duitse woonplaats Datterode overleden aan een hartkwaal.


Uit: Algemeen Dagblad, zaterdag 26 april 2003.

Waar wonen in Duitsland de voortvluchtige nazibeulen van Nederlandse afkomst? Wat hebben ze met hun leven gedaan? En hoe reageren ze op een confrontatie? Het Algemeen Dagblad wist vijf van de zes oorlogsmisdadigers op te sporen.


DOOR EDDY VAN DER LEY.

Terug naar de omgeving van Hagen, naar het voorstadje Haspe, Herbertus Bikker is onaangenaam verrast door het bezoek. „Donder op” schreeuwt hij. Pas na lang aandringen laat de 87-jarige ex-nazi uit de Alblasserwaard, alias de ‘beul van Ommen’, onthullende informatie los over de moord op verzetsman Jan Houtman, in november 1944. „Ja, ik heb hem doodgeschoten, maar het was noodweer. Of ik hem negen genadeschoten heb gegeven? Ja, maar nu opgerot.”

Na 51 jaar in de vrijheid van Duitsland te hebben geleefd, denkt de Duitse justitie voldoende bewijs te hebben vergaard om de hoogbejaarde Bikker te vervolgen. De nazibeul, die in kamp Erica bekend stond om zijn stuitende folterpraktijken, wist in 1952 samen met zes medegevangenen te ontsnappen uit de koepelgevangenis van Breda.

Bikker leidt in Hagen-Haspe een onopvallend bestaan, maar blijkt nog buitengewoon zelfstandig te zijn. De vader van minsten zes kinderen (vier uit zijn eerste huwelijk, eentje uit de oorlogstijd in Ommen en minstens eentje uit zijn Duitse periode) pakt dagelijks zijn auto voor een ritje naar de supermarkt. Zijn fysieke toestand? „Goed”, zegt zijn buurvrouw. Bikker probeert een ziekte te simuleren om aan het proces te ontkomen. „Het is totale waanzin om me nu nog te vervolgen”, blaft hij door het raam. „Dat geldt voor alle ex-SS'ers. Laat ons met rust!”


Oorlogsmisdadigers wonen rustig in Duitsland.


Last update: 28-05-2006 by www.herdenking.nl