De bevrijding van Friesland.
Informatie over de oprukkende bevrijders.

bron: Bevrijdingsbijlage Leeuwarder Courant, zaterdag 8 april 1995.

‘De fles is leeg’
DE BEVRIJDING VAN FRIESLAND
Proloog:

In de vroege ochtend van dinsdag 6 juni 1944 landden Amerikanen, Engelsen, Canadezen en vrije Fransen op de kust van Normandië. Tegen zware Duitse tegenstand in wisten zij een aantal bruggehoofden te veroveren. Na wekenlange zware gevechten braken ze door de Duitse linies. Er volgde een bliksemsnelle opmars naar de Rijn. Miljoenen mensen in Europa voelden hun hart sneller kloppen: de dagen van de verschrikkelijke bezetting leken geteld.

Voor de bevolking van Friesland was het een zware teleurstelling toen de triomfantelijke opmars van de bevrijders bij Arnhem stokte. Er volgden nog zeven zware en droevige maanden. Maar toen herleefde de hoop. De Canadezen, die waren aangewezen om het Noorden van de Duitsers te bevrijden, trokken op 24 maart 1945 na een ongekend zwaar bombardement van de Duitse stellingen bij Elten over de Rijn. De derde Canadese infanteriedivisie kreeg als einddoel Friesland. Het was, zo realiseerden de Friezen zich, nog maar een kwestie van dagen.

Frieslandbevrijding.



Er werd zwaar gevochten om Doetinchem en de bij de strategische IJsselbruggen gelegen steden Doesburg, Zutphen en Deventer. Maar oostelijk van deze plaatsen, in de Achterhoek en Salland, vorderde de opmars van de Canadezen veel sneller, nadat zij het Twentekanaal waren overgestoken. Hoofddoel van de tweede Canadese infanteriedivisie was de stad Groningen, die als een zwaar verdedigd bolwerk gold. Langs Groningen wilden de Canadezen de zee bereiken en zo de Duitsers in Holland insluiten. Oostelijk van de tweede infanteriedivisie trokken Polen en Engelsen richting Noord-Duitsland. Westelijk trok de derde Canadese infanteriedivisie langs Zwolle en Meppel in de richting van Friesland.

In de nacht zaterdag 7 op zondag 8 april landden Franse en Belgische parachutisten in Drenthe en Ooststellingwerf. Op zondag 8 april klonk over de geallieerde radio de mededeling in code ‘De fles is leeg’. Ze was bestemd voor de Binnenlandse Strijdkrachten in Friesland, die hiermee het sein kregen 36 uur later te beginnen met de sabotage van militair-strategische objecten. De bevrijding van Friesland was begonnen.


Frieslandbevrijding.



7 april
Para’s en poppen boven Friesland

Het is pikkedonker. Met een enorm gekraak valt Pierre Sicaud naar beneden. Hij is met zijn parachute terechtgekomen in een boom. Sicaud voelt een harde klap van een tak tegen zijn gezicht, gevolgd door een gemene pijn in zijn oog. Desondanks gaat Sicaud, commandant van een compagnie Franse Chasseurs Parachutistes op zoek naar zijn manschappen.

Luttele kilometers noordelijker, in een veld van boer Mindert de Boer aan de vaart bij Haulerwijk, aan de huidige Koumansbrug en Slinke, komen acht Franse parachutisten neer. Ze hebben opdracht de bij Appelscha te bezetten. Maar ze zijn op de verkeerde plaats gedropt.
De bevrijding van Friesland is begonnen. In totaal worden op deze zaterdag 7 april 1945 op verschillende plaatsen in Drenthe en Ooststellingwerf zevenhonderd Franse parachutisten gedropt. Zo’n zestig man komen, bij Haulerwijk en Appelscha terecht. Doel van de operatie is het zaaien van verwarring achter de Duitse linies ten gunste van het Tweede Canadese leger, dat op dat moment tot de lijn Coevorden-Meppel is opgetrokken. De avond tevoren, omstreeks elf uur, heeft het er even op geleken dat de geallieerden Friesland bij Harkema en Augustinusga binnenvielen.

De bewoners van de zogenoemde Smoorhoek in Harkema-Opeinde zijn opgeschrikt door het geronk van een laag overkomend vliegtuig. Boven de weilanden bij Wopke Hoekstra en Albert Alma zien ze een parachute dalen. De bevrijder wordt door de Harkemasters begroet met de woorden: „Ha, binne jimme dêr einloiks. No, it hat lang genôch duorre”. Nauwelijks heeft de parachutist de grond bereikt of hij schiet naar alle kanten. De Harkemasters nemen in paniek de vlucht. Als de rust weerkeert, komen de nieuwsgierigsten en dappersten weer te voorschijn. Ze vinden een pop en een ontploft mechanisme.

Er zijn die avond meer poppen in de omgeving van Harkema en Augustinusga neergekomen, maar die zullen nooit worden teruggevonden. De poppen, die de vijand schrik moesten aanjagen en de landing van eenheden parachutisten massaler moeten doen lijken, zijn 60 centimeter lang en gemaakt van grove jutestof en gevuld met zand. Er zit een plankje aan vast met een aantal geweerpatronen, die door een eenvoudig mechanisme worden afgevuurd.

Ontmoeting in de bossen

Enkele uren later heeft commandant Sicaud een groepje van zo’n vijftien militairen verzameld in een kuil midden in de bossen bij Appelscha. Sicauds wond is inmiddels verbonden. Het verband geeft de grote kerel een wonderlijk aanzien.

In tegenstelling tot zijn ondergeschikten, die roodbruine baretten dragen, heeft hij een soort ijsmuts op zijn hoofd. Sicaud is een gehard man met veel oorlogservaring. Op harde en scherpe toon geeft hij zijn manschappen bevelen. In de bossen voelt Sicaud zich veilig en hij besluit het ochtendgloren af te wachten. De mannen gaan slapen zonder dat iemand de wacht houdt. Dat wordt hun bijna noodlottig.

Want op hetzelfde moment dat de para’s in het bos neerkomen, oefenen iets verderop acht leden van de Knokploeg Noord-Drenthe. De mannen hebben in de bossen tussen Appelscha en Smilde een hol, dat ze ‘Prins Bernhard Kazerne’ noemen en waar ze al sinds eind februari bivakkeren. Het zijn ruwe kerel, die geregeld de omgeving afstropen en ’s nachts NSB’ers en landwachters overvallen om ze van wapens en voedsel te beroven.

Ze staan deze ochtend onder leiding van Wim van der Veer, een commando die in oktober 1944 bij Veenhuizen is gedropt om het Friese verzet te helpen. Als hij de groep para’s ontdekt, ziet hij hen aan voor Duitse soldaten. De KP’ers schrikken, bijna wordt het een schietpartij. Nog net op tijd ziet Van der Veer dat de militairen rode baretten dragen. Het wordt een wonderlijke, maar hartelijke ontmoeting in de bossen. De KP’ers treden op als gidsen van de Fransen. Ze helpen met het opsporen van nog vermiste para’s en trekken met commandant Sicaud op naar Appelscha.

De para’s die bij Haulerwijk zijn neergekomen, kloppen boer Alle van der Leij uit bed en brengen hun parachutes en bepakking bij hem in de schuur. Daarna gaan ze naar de ophaalbrug bij het Witte Huis en zoeken een slaapplaats. Die menen ze te vinden bij de boerderij Ora et Labora van Fokko Tamminga. De commandant, luitenant Vidoni, vraagt de boer om een slaapplaats, maar Tamminga heeft al gasten. Dezelfde dag zijn er namelijk drie Duitse militairen aangekomen, die inkwartiering hebben geëist.

„Wy he al kammeraden fan jimme ünder dak, sei us heit. Hy docht dat hy op ‘e nij mei Duisers te krijen hie, omdat de kommandant fan dy parachutisten ek Düts tsjin him prate”, vertelt zoon Hendrik Tamminga. De Franse para’s willen die kameraden wel eens zien. Tamminga: „Sy gongen de souder op en dêr wie it fan: handen omhoog”. De Duitsers worden mee naar buiten genomen en in een aangrenzend weiland aan de rand van de sloot zonder meer doodgeschoten. „Yn koelen bloede”, zegt Tamminga met afgrijzen. „Us heit en mem fûnen dat ferskriklik". Mar dy Frânsen ha net oars kinnen. Sy moasten dy Dûtsers wol kwyt”.

De lijken blijven aanvankelijk liggen, half op de wal en half in het water, maar Fokko Tamminga ontfermt zich er de volgende dag over. Hij laadt ze op een kar en brengt ze naar het kerkhof in Haulerwijk.

Epiloog

5 mei 1945. „Over een paar minuten is de oorlog voorbij”, noteert Gefreiter Siegfried Muller in zijn dagboek. Door veel naar de Engelse radioberichten te luisteren is hij goed op de hoogte. De capitulatie is een feit, op 22 juni mag hij terug naar huis.

Het bevrijdingsfeest op 5mei is bescheiden. Aarzelend wordt het Wilhelmus gezongen voor de deur van dokter Robert Turfboer, de leider van de plaatselijke BS. De vlag gaat uit en ’s avond weer in, maar de avondklok en de verduistering zijn niet voorbij. Anton Wever hoort Gebrandy op de radio:„Gij zijt vrij.” Maar de Duitsers lopen nog gewoon met geweren door het dorp. De avondklok van tien uur blijft en het leven gaat door zoals het al vijf jaar gaat.

Op de ochtend van 31 mei 1945 maakt lieutenant Frederic Squire met twee mannen de oversteek van Terschelling naar Vlieland, om het eiland te ontzetten.

Hij zit bij Britse Third Medium Regiment van de Royal Artillery, dat twee dagen eerder uit Den Helder naar Terschelling is getrokken. Frederick Squire ontbiedt de Duitse Ortscommandant, waarschijnlijk Clementsen, boven fotozaak Hommema, het hoofdkwartier, van de BS. De Duitser moet staan, terwijl Squire met zijn voeten op tafel zit en achteloos de rook van zijn sigaar uitblaast.. Daarna worden de luchtdoelbatterijen bezocht..

Onderweg roept de natuur: dokter Turfboer moet naar een bevalling.. Een uur later is het kind er. „Noem haar maar naar onze bevrijder”, zegt Turfboer tegen de vader, Douwe de Gorter. „Wat levert dat op?”, wil die weten. Voor een vrachtje sigaretten wordt het dochtertje Dieuwertje Frederika genoemd. Squire krijgt als dank voor de bevrijding een wandelstok met een degen erin, die door zijn nabestaanden aan het eilander museum is geschonken.

BS-commandant Turfboer zet ook burgemeester Rab af. Maar dat zit hem niet glad. De eilanders lopen zo warm voor hun burgemeester-in-oorlogstijd, dat een van hen een handtekeningenactie aankondigt als Rab niet zou terugkomen. „Dat verbied ik als commandant”, moet Turfboer gezegd hebben. Maar hij heeft niks te verbieden, het eiland is weer een democratie. Rab keert weer. „Ik word Flippie Fluweel genoemd”, zegt hij. „Hou er rekening mee dat fluweel twee zijden heeft, een gladde en een ruwe kant.” Anton Wever hoort het hem nog zeggen. Op Rabs aanraden heeft Wever zijn dochtertje, dat op 20 mei 1945 is geboren, Irene genoemd.

Vlieland is vrij, maar er zijn nog formaliteiten. Op 3 juni ondertekenen Turfboer en Clementsen een ‘overgaveformulier’, een uitgebreide inventarisatie van alle overgegeven goederen, van de vuurtoren en het postkantoor tot aan 100 liter rum, 40 liter jenever en talloze potten, pannen en stoelen. Veel voedsel in blik ook, dat haast allemaal naar Terschelling is verscheept. Zelfs drie paarden, een varken met negen jongen en drie waakhonden behoren tot de buit. Een van de honden heeft nog een tijdje bij een eilander gewoond.

Grutte Harmen en de Wonser Shermantank

De meest in het oog springende herinnering aan de bevrijding in Wons is een Canadese Shermantank. Het gevaarte zat muurvast in de Melkvaart achter de pastorietuin, waar het door het bruggetje was gezakt tijdens een omtrekkende beweging om het dorp. De tank was compleet met munitie en al en het vehikel was niet afgesloten, zodat iedereen ongehinderd een kijkje kon nemen in de geschutskoepel.

De tank wordt een van de meest geliefde speelplaatsen voor de jeugd. Het voertuig trekt kinderen uit de wijde omgeving, tot uit Makkum. „Machtich fûnen wy it, dy klokjeboel,” zegt cafébaas Henk van Slageren uit Wons, toen een knaapje.

De tank blijft meer dan een jaar op zijn plek zitten. Dan komt Harmen Haarsma, bijgenaamd ‘Grutte Harmen’, uit Makkum om orde op zaken te stellen. Haarsma, een grote man met handen als kolenschoppen, werkzaam in het dijkonderhoud, weet behulp van dommekrachten de tank uit de sloot te halen. Wons is een speeltuin armer.

zaterdag 7 april

leden van de Duitse SD doen inval in Makkumer visconservenfabriek, na verraad door Nederlandse handlanger en schieten zes mensen dood. SD fusilleert bij Zandvoorderhoek in Gaasterland vijf mannen. SD in Leeuwarden krijgt bij inval lijst met namen van BS’ers in handen. Verricht veel arrestaties.

Verraad in Makkum

Makkum. Het is tegen half acht als de vijftienjarige Sipke Horjus ’s morgens aankomt op zijn werk bij de Makkummer visconservenfabriek Van den Berg en twee Duitsers aan weerszijden van de deur ziet staan, in het ketelhuis treft hij Sjoerd Adema, die krijtwit ziet. „Ik wol wol stoke”, biedt Sipke aan.

„Dat kin net mear”, antwoordt Adema. Sipke begrijpt het niet, maar als hij zich omdraait ziet hij een Duitser staan met een pistool in de hand. Sipke werkt sinds de nazomer van 1944 bij de ‘visfabriek’, basis en dekmantel van het Makkumer verzet. Hij moet er gerookte paling inblikken. Al snel heeft hij in de gaten dat er in de fabriek meer gebeurt dan vis verwerken. Hij wordt ingezet als koerier. Zijn ouders weten van niks; als ze iets te weten komen, moet Horjus dadelijk stoppen met dit werk, dat weet hij zeker. Hij vindt het prachtig. Het is spannend en hij kan gaan en staan waar hij wil.

Maar vandaag is het mis, dat voelt hij wel aan. Hij wordt met Adema naar het kantoortje gebracht. Even later wordt Bob Dijkstra en Henk Lemson binnen gebracht. Horjus moffelt stiekem een papier met namen van andere verzetsmensen in zijn sok.

Rond die tijd, even voor achten ’s morgens, in hetzelfde Makkum, wordt de kleine Lucas Bogtstra wakker van het geluid dat zijn vader maakt als die de trap van de statige dokterswoning aan de Laan op rent. Of wakker, het is meer een soort halfslaap. Wakker wordt Lucas pas op het moment dat een Duitser zijn kamer instapt die wil weten waar zijn vader is. „Ik weet het niet”, zegt Lucas. De Duitser geeft hem een oorvijg. Nu is Lucas echt wakker. Dokter Bogtstra heeft al een goed heenkomen gezocht. Tussen het schuine dak en de wand van een der slaapkamers op de eerste verdieping zit een ruimte. De dokter duikt door een deurtje het hol in en gaat boven op een balk van het dakgebint liggen. Als de Duitsers even later de slaapkamer binnenstormen, hebben ze het deurtje snel gevonden. Ze steken hun hoofden door de deuropening, lichten bij met een zaklantaarn, zien niemand en gaan door met zoeken.

Als de Duitsers zijn verdwenen, neemt Bogtstra zijn kans waar. Het is de klassieke ontvluchting. Hij knoopt een paar lakens aan elkaar en laat zich door een van de ronde dakraampjes naar beneden zakken. Hij waadt door de vaart achter het huis en loopt naar de boerderij van weduwnaar Sjoerd Kooistra. Daar blijft hij tot hij de situatie veilig genoeg acht om verder te gaan: dwars door de weilanden naar Bolsward, waar hij ’s avonds onderduikt bij Herre en Griet Kingma.. De kleine Lucas weet van niks. Hij is naar het nabijgelegen huis van slager Rinke Reitsma gegaan. Door het dakraam ziet hij, hoe de overvallers de stapel hakhout bij het huis overbrengen naar de woonkamer. Lucas is bang en opgewonden tegelijk.

Ineens schiet hem iets te binnen. Hoe moet het met school? Hij zit net op de hbs in Harlingen en straks gaan zij boeken in vlammen op. Hij raapt zijn moed bijeen, gaat naar beneden, loopt naar het huis en stapt naar binnen. Door de openstaande deur van de woonkamer ziet hij de berg brandhout liggen. Bij de trap staat een landwachter, aan wie Lucas vertelt dat hij zijn boeken veilig wil stellen. „Pak ze maar “, zegt de man. Lucas rent naar boven, pakt zijn tas en gaat terug naar het huis van Reitsma, waar hij zijn oude post voor het dakraam weer inneemt.

De Duitsers nemen de tijd om voor duizenden guldens aan medische apparatuur mee te nemen. Even later brandt de dokterswoning als een fakkel. Uit het huis klinken zware, doffe knallen van exploderende butagasflessen. Mensen elders in het dorp houden de knallen voor bomexplosies. Het huis brandt helemaal af. Enkel een muur staat nog overeind.

De Duitsers gaan intussen met de arrestanten van de palingrokerij door Makkum naar de marechausseekazerne aan de Laan. De handen moeten omhoog worden gehouden. In de kazerne blijft Sipke Horjus alleen achter in een kamer op de begane grond. Hij kijkt om zich heen, gluurt eens door het raam. Ontsnappen is onmogelijk, overal Duitsers. Op de verdieping hoort hij schreeuwen. Het zijn de verzetsmensen die worden mishandeld tijdens hun verhoor.

Een Nederlandse SS’er komt binnen, geeft Sipke een sigaret en stelt wat vragen. Wat gebeurde er precies in de fabriek? Horjus zegt van niks te weten. „Die bussen met munitie, die felste jij toch ook dicht?”, vraagt de SS’er. Horjus houdt vol dat hij niet op de hoogte is. „Je liegt!”, snauwt zijn ondervrager. Sipke wordt naar een andere kamer gebracht, waar hij wordt doorgezaagd over zijn leeftijd. „Vijftien”, zegt Horjus naar waarheid, maar hij wordt niet geloofd. Tot het moment dat de SS’er Horjus persoonsbewijs in handen krijgt. Zijn moeder en zus die te horen hebben gekregen dat Sipke is opgepakt, zijn het komen brengen. Ineens slaat de stemming om. Het verhoor is blijkbaar afgelopen, want Horjus krijgt een paar sigaretten toegestopt en krijgt te horen dat hij kan vertrekken.

Hij neemt de achteruitgang, maar hij is nog maar net buiten als er een snerpend fluitje klinkt. Meteen pakken twee landwachters Horjus ruw vast en brengen hem naar een cel, waar hij met zeven andere arrestanten in een kring komt te zitten. Er wordt niet veel gezegd. De mannen zijn nerveus. Een toilet is er niet. Horjus vraagt of hij een melkbus mag halen. Even later wordt hij met Hilbrand Adema uit het ploegje geplukt en krijgt de opdracht om alles wat brandbaar is bij elkaar te zoeken en een brandstapel te maken. Daarna moet hij naar buiten, een blik benzine halen.

Dan ziet hij tot zijn verrassing Jan Brouwer, een Groninger die pas kort op de conservenfabriek werkt. Brouwer draagt een landwachtersuniform, hij heeft een zonnebril op. „Jan”, zegt Sipke verbaasd, „wat dochsto hjir?”. Jan Brouwer is een paar maanden eerder in het Makkummer verzet geïntroduceerd door Matthijs Ridderhof, een vertrouwensman van de Duitsers. Ridderhof die ook George werd genoemd, speelde een fatale rol in het Engelandspiel. Jan Brouwer heeft zijn best gedaan het vertrouwen te winnen, maar zijn verhalen over zijn verzetsdaden en de vele vragen die hij stelde hebben juist het wantrouwen van de groep gewekt. Eind maart is besloten om Brouwer te liquideren. Brouwer is na een uitnodiging voor een nachtelijke bijeenkomst in Exmorra niet komen opdagen.

Vandaag is Jan Brouwer terug in Makkum. Hij is het die de Sicherheitsdienst in Groningen heeft geïnformeerd over het verzet in Makkum. Hij heeft de namen van de illegalen genoemd, hij heeft hen gewezen op verzetsactiviteiten in de visfabriek aan het Vallaat. Hij heeft de SD ook gewezen op het huis van de dokter in het dorp, Bogtstra, over wie hij heeft gehoord dat hij de ondergrondse EHBO-les geeft. Alleen: hij heeft zich vergist, Bogtstra heeft met het verzet niets te maken. Dat is dokter Sibie, die aan de andere kant van het dorp woont.

Brouwer wenst deze zaterdag niet te worden herkend. De begroeting van Sipke komt hem niet goed uit. Eer de jongen het weet, heeft hij een klap in zijn gezicht en een schop onder zijn achterste te pakken. Met acht andere arrestanten wordt Sipke Horjus naar het varkenshok van boer Bauke de Witte gebracht, een paar honderd meter buiten het dorp. Het varkenshok is een oude autobus van de Makkumer Busonder- neming, de Mabo, waar de banken uit zijn gesloopt.

Rond vier uur klinken de schoten van een vuurpeloton achter de kazerne, die inmiddels in brand gestoken is. Vier leden van het Makkumer verzet worden geëxecuteerd: Sjoerd Adema, Koos Keller, Bob Dijkstra en Henk Lemson. Ook boer Fetze Elgerma en onderduiker Hermanus Falkena uit Schraard, opgepakt na de verhoren, worden gefusilleerd. Het is een rommelige executie. De zes slachtoffers staan nog niet opeen rij als de Sneker SD-commandant Ströbel het commando geeft om te vuren. De mannen vallen over elkaar heen en de Duitsers vuren in het wilde weg in de hoop lichamen. Twee landwachters springen vooruit en schieten twee mannen door het hoofd om aan hun lijden een eind te maken.

Sipke Horjus brengt d rest van de middag door in het varkenshok. Tegen zessen wordt de deur geopend. De Duitser zetten de arrestanten op een rijtje. Ze mogen naar huis krijgen ze te horen. Rennen. Wie het laatst in Makkum is zal worden doodgeschoten. Een van de arrestanten doet zijn klompen uit voor hij wegspurt. Horjus en een oudere man, die wat minder snel is, volgen op enige afstand. Als ze een meter of tachtig van de bus zijn, wordt er geschoten. Horjus trekt zijn metgezel in de berm. Ze kruipen langs de wal van de sloot terug naar het dorp.. Als de laatste SD’ers zijn vertrokken, wagen de Makkumers zich achter de kazerne. De slachtoffers worden op ladders gelegd en afgedekt met lakens, waar het bloed langzaam doorheen sijpelt.

Onder grote publieke belangstelling worden de stoffelijke overschotten overgebracht naar de rooms-katholieke school. Sipke staat op de drempel. Hij heeft het gevoel dat hij de mannen met wie hij samenwerkte nog een keer moet zien. De aanblik van familieleden die naar buiten komen, brengt hem op andere gedachten. Hij keert zich om en gaat naar huis. Een detail zal Lucas Bogtstra de rest van zijn leven bijblijven. Hij ziet de hand van een van de geëxecuteerden onder een laken vandaan hangen. Alle vingers zijn gebroken.

De wraak van de SD

Het is de tweede executie die SD-commandant Ströbel die week heeft laten uitvoeren. De vorige dag nog was hij naar de Funkstelle Sondel gereden. De daar aanwezige ondercommandant had hem een geschikte plaats gewezen. Bij de hoge IJsselmeerdijk op de Zandvoorderhoek, tussen Sondel en Nijemirdum, had Ströbel de meegekomen soldaten opdracht gegeven een groot graf te graven.

Het is Ströbels wraak: dagenlang is de Sicherheitsdienst in Sneek in alle staten geweest. Bij zoekacties zijn wapens aangetroffen, hoewel uit de verhoren van verzetsmensen, die na verraad zijn aangehouden, is gebleken dat rond het Sneekermeer belangrijke opslagplaatsen van illegaal schiettuig liggen. Bij een razzia is in het riet een woonscheepje gevonden. Even hebben de SD’ers gedacht eindelijk een mooie slag te slaan, maar de bewoner is verdwenen en de buit aan wapens blijft beperkt tot een stengun, een paar handgranaten en wat pistolen. Geen wapens? Dan maar gevangenen, heeft de getergde Ströbel besloten.

Het graafwerk was nog in volle gang, toen de auto met vijf gevangenen arriveerde. Terwijl het graven doorging, kregen de vijf mannen de gelegenheid zich op de door voor te bereiden. Een van hen is voorgegaan in gebed. Vervolgens is een vuurpeloton gevormd. Na Ströbels ‘Feuer’ hebben de schoten geklonken, de mannen zijn in elkaar gezakt. Twee van hen hebben nog tekenen van leven gegeven; zij hebben van Ströbel en een soldaat het genadeschot gekregen. De ontzielde lichamen zijn in de kuil gegooid en toegedekt met aarde. Doordat het zo zorgvuldig is gebeurd zal het na de oorlog nog lang duren voordat het graf is gevonden. Opgegraven worden dan de stoffelijke resten van Durk Dijkstra (29) uit Tersoal, de IJlsters Jujen Hoomans (32) en Hendrik Huizinga (35), Gerrit Vlietstra (33) uit Den Haag (* Dit moet volgens familie zijn: Gerrit Vlietstra (23) uit Drachtster Compagnie) en de Amsterdammer Herre Winia (34).

Paniek in Leeuwarden

De Leeuwarder illegaliteit raakt plotseling in groot gevaar, paniek breekt uit. Door onzorgvuldigheid van het verzet is een deel van de identiteitskaarten voor Leeuwarder BS-leden in handen gevallen van de Duitsers. Bewapeningsofficier Taco van der Veen van de BS en zijn chef Jelte de Boer grijpen razendsnel in. Hoewel het lukt enkele betrokkenen tijdig te waarschuwen, vinden er toch diversie arrestaties plaats. Want, wie niet direct na de waarschuwing vertrekt, wordt door de Duitsers gepakt. De arrestanten worden naar het SD-hoofdkwartier in het Burmanishuis gebracht. Een dag later slaan na vreselijke martelingen van de Duitsers enkele gevangenen door. Hun verklaringen zetten de Duitsers op het spoor van BS-bewapeningsofficier Taco van der Veen, bakker op de Oostergrachtswal.

Van der Veen is een van de pioniers van het verzet in Leeuwarden. Hij is de bewapeningsofficier van de NBS, district X Leeuwarden. „Raus, sofort nach das Haus von Van der Veen”, blaft een SS-Oberscharführer zijn ondergeschikten toe. Van der Veen i die nacht niet thuis geweest, maar heeft bij bekenden in de Engelumerstraat gelogeerd. Zijn vrouw Ymie, ongerust geworden door de arrestaties, gaat ’s morgens naar hem op zoek. Op haar fiets zoekt ze de hele stad af, maar ze vindt haar man niet. Als ze thuiskomt zijn de Duitsers al in huis. „U boft, mevrouw”, zegt de bij het gezin logerende hongerevacuée uit Den Haag als ze in de deuropening mevrouw Van der Veen tegenkomt. „De Duitsers zijn net naar boven.”

In paniek gaat ze opnieuw op zoek naar haar man. Op de gok fietst ze in de richting van de Vlietsterbrug Taco tegenkomt. „Maak dat je weg komt! De Duitsers zitten in ons huis. Ik red me wel met de kinderen”, schreeuwt ze hem toe. Ymie van der Veen wacht vervolgens tot de Duitsers al vloekend en tierend verdwijnen. Als ze in haar huis komt schrikt ze. Het hele huis is een chaos. De twee kinderen zitten onder de tafel.

Van der Veen weet intussen wat hem te doen staat. Hij verlaat de Friese hoofdstad en vindt een onderduik adres in Tietjerk. Hij blijft daar tot de volgende zondag. Zijn taak als bewapeningsofficier zit er dan op.

Met behulp van zijn bakkersbakfiets voor de grote wapens en fietstassen voor de kleine wapens zijn alle Leeuwarder BS-eenheden (drie compagnieën met in totaal driehonderd man) bewapend vanuit een hervormd rusthuis in de Grote Kerkstraat, waar zich een geheime opslagplaats bevindt.

De eenheden staan paraat. Hoewel? Huizemer Tjeerd Mellema heeft wat extra tijd nodig. Hij heeft de wapens voor zijn eenheid onder de grond gestopt. „Prima plaats toch?” Maar als hij de wapens opgraaft zijn ze door roest aangetast. Hij is de hel week bezig om de wapens weer schoon en gebruiksklaar te krijgen. Voor Taco van der Veen breekt en benauwd weekje aan. Hij weet niet waar hij aan toe is. „Ze zitten me op de hielen. Het gevaar komt steeds dichterbij”, realiseert hij zich. Maar ook de bevrijders zijn in de buurt.

zondag 8 april

Franse paracommando’s terechtgekomen bij Appelscha en Haulerwijk. Deel van hen kiest ‘Prins Bernhardkazerne’, in het bos daar uitgegraven onderkomen van leden BS uit Noord-Drenthe, als uitvalbasis en noemen die ’La Cabine du Maquis’. Anderen trekken in boerderij van Tjamme Rooks aan De Maden bij Appelscha. Fransman Henri Pintaud sneuvelt bij Haulerwijk.

Een vesting in de Maden

In de vroege ochtend van zondag 8 april is Tjamme Rooks uit Appelscha op zijn land aan het werk. Het lijkt voor de boer en melkrijder een dag te zullen worden als alle andere. Hij heeft net zijn koeien gemolken als hij een groep mannen recht op zich af ziet komen. „Ik dacht wat is me dat nou voor volk? Het was een prachtig gezicht hoe die kerels door het land liepen. In tempo, overal dwars doorheen. Ze hadden een grote tang bij zich en knipten het prikkeldraad stuk.”

Het zijn de Franse para’s onder bevel van kapitein Sicaud. Als de mannen bij Rooks zijn aangekomen, maken ze met handen en voeten duidelijk dat ze een geschikte plek voor een hoofdkwartier zoeken. „We wisten wel dat er grote risico’s aan vast zaten, maar we hebben meteen gezegd: jullie kunnen wel bij ons komen.” Rooks uitnodiging wordt onmiddellijk aangenomen. Zijn boerderij ligt zo’n 500 meter van de doorgaande weg, in de Maden tussen Oosterwolde en Oud-Appelscha. „Het was ideaal voor de Fransozen: mooi achteraf en ze konden alles zien aankomen.”

Niet iedereen in de omgeving is blij met de komst van de vreemdelingen. „Mijn buurman Wobbe Witvoet vond het maar niks. Die zei: Tjamme, wat haal je nou uit. Hier kunnen we allemaal last mee krijgen.” Pas na de bevrijding zal Rooks begrijpen waarom zijn buurman zich zo’n zorgen heeft gemaakt: Witvoet heeft joodse onderduikers in huis.

De militairen krijgen in de loop va de dag versterking; lang niet alle para’s blijken zo beroerd gedropt te zijn als die in Haulerwijk. De meesten weten op eigen kracht hun maten te vinden; de plaatselijke BS spoort een aantal geallieerden op. Ook Rooks wordt ingezet om de manschappen bijeen te sprokkelen. „Toen begon het te schemeren, werd ik naar de Fochteloërsluis gestuurd. Dat was een van de afgesproken verzamelplaatsen. Er stond al een groepje Fransozen bepakt en bezakt op me te wachten. Die waren gedropt boven de Weperpolder.”

Het eerste gevecht

Zondagsmiddags raken de Franse militairen die per abuis bij Haulerwijk zijn geland slaags met Duitse soldaten in de akkers langs de Haulerwijkervaart. Daarbij sneuvelt de 21-jarige parachutist Henri Pintaud. Hij wordt begraven in Haulerwijk, waar later een monument voor hem zal worden opgericht. Enkele van zijn maten ontkomen en verschuilen zich in het Blauwe Bos bij Haule, maar vier anderen raken gewond en worden gevangen genomen. De gevangenen worden op een boerenwagen naar Haulerwijk gereden waar dokter Beumer hen verbindt en verzorgt.

Daarna brengen de Duitsers hen naar het Ziekenhuis in Heerenveen, waar ze uiteindelijk zullen worden bevrijd. Hendrik Blijker is in de stal van zijn vaders boerderij als hij de schietpartij hoort. Hij kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en gaat kijken. Plat op zijn buik liggend volgt Bijker de schermutselingen in de verte. Plotseling ziet hij een man rennend, kruipend en wadend door slootjes, recht op zich af komen. Het is de Franse parachutist Henri Vogue, rennend voor zijn leven. Zijn maten is hij kwijtgeraakt.

Onder een regen van kogels van Duitse soldaten en landwachters die hem op de hielen zitten, bereikt Vogue de boerderij van Bijker. De boerenzoon brengt de hijgende en doodsbange Vogue in de schuur en verstopt hem onder enkele balen stro. Enkele tellen later arriveert de vijand. De Duitse soldaten zetten Bijker meteen tegen de buitenmuur en de meegekomen landwachters ondervragen hem. „Ik krige fjouwer pistoalen op my rjochte. Ien fan dy mannen joech my ek noch in klap foar de kop. Hy woe fan my witte wêr’t dy Frânsman bleaun wie.” De officier heeft Hendrik vier tellen de tijd te praten, anders zal hij worden doodgeschoten. „Eltse tel duorre foar myn gefoel inhiel skoft. Mar by fjouwer skeaten sy net.” Dan begint een andere Duitser te tellen. Tot tien ditmaal. „Dat koe ik net mear ferneare. Ik woe derôf wêze. Dat ik sprong fan de iene Dûtser nei de oare en ik raasde: schieten, schieten, schieten.”

Maar weer gebeurt er niets. De Duitsers doorzoeken wel de boerderij, maar Henri Vogue vinden ze niet, hoewel ze vlak langs het machinegeweer lopen dat de Fransman in zijn haast in een donker hoekje van de zolder heeft neergegooid. Wel komen de soldaten en landwachters beladen met boter en vlees uit de proviandkelder. Ze vertrekken. Voor Hendrik Bijker is dat het sein om de Franse soldaat tevoorschijn te halen. Ditmaal verbergt hij Vogue in een van de bulten oud stro op het erf.

Als Hendrik hem ’s maandags zoekt, durft de soldaat zich niet te laten zien. Verstijfd van angst houdt hij zicht schuil tot dinsdagmiddag. „Doe stie hy ynienen foar it keukenrút. Hy hie ferskuorrende honger en toarst, want hy hie oars net hân as siedkerrels ut it strie.” Later die week brengt Bijker, samen met buren Jitse en Mindert de Boer, de Fransman in veiligheid. Verkleed als turfgravers, met de schep aan de fiets, zullen ze bevrijd gebied bereiken.

„Henri Vogue hie syn typysk Frânske snorke ôfskeard. En hij hei in pistool ander de clean verstoppen. At Se UZ aanhaalden, soek hij site.” Hendrik Blijker ziet de Fransman enkele dagen later, na de bevrijding van Haulerwijk, terug. „Der stie in jeep byus op it hiem en der wie allegear folk by. Doe ’t Henri Vogue my seach, fleach hy my fuort om ‘e hals. It wie mar sa’n lyts mantsje. Hy tute my op beide wangen. No, dat wie un dy tiid war. Jo wiene doe al ferlegen at der in famke nei jo seach”, herinnert Bleiker zich.

Via de radio krijgen de Binnenlandse Strijdkrachten in Friesland de codemededeling fles is leeg’. Over 36 uur moeten de leden van de BS – in Friesland zo’n 2500 – beginnen met sabotage-acties aan wegen, spoorwegen en vaarwegen. ‘De fles is leeg’

’s Middags om half twee wordt duidelijk dat het grote ogenblik is aangebroken. Over de radio klinkt de zin: ‘De fles is leeg’. Het is het teken voor het Friese verzet dat de slag om Friesland is begonnen. Over 36 uur, in de nacht van maandag op dinsdag, moet de ondergrondse beginnen met sabotage van de bruggen en spoorwegen. Dwarsgeulen moeten in de wegen worden gegraven, bomen dienen te worden omgezaagd en richtingborden moeten worden verwijderd. Brugwachters en het personeel van de openbare nutsbedrijven moeten worden gesommeerd te vertrekken of er dient een veilig onderdak te worden geboden.

‘Dit afschuwelijke lijden’

Die zondagavond is Mark Wierda alleen in zijn cel in Leeuwarden. De vorige nacht is hij opgepakt. De 27-jarige theologie-student, binnen de BS Leeuwarden belast met inlichtingen en spionage, schrijft een brief. Het valt hem zwaar, zijn handen zijn geboeid. De Duitsers hebben hem niet ontzien. Hij is gebeukt, geschopt, bijna gewurgd, bijna verdronken in de waterkist. Zijn lichaam is kapot. Maar hij is blijven zwijgen. Zijn kameraden heeft hij niet verraden.

„Ik ben bijna zo ver geweest om ja te zeggen, om van dit afschuwelijke lijden af te komen”, schrijft hij moeizaam. „Ik moet vaak aan onze Heiland denken en het was mij rijk, dat kruis Hem na te mogen dragen. Ik ga vol vertrouwen de toekomst tegemoet. Er zal geen haar van ons hoofd vallen zonder de wil van onze Hemelse Vader, want Hij regeert…Zelfs nu is Hij nog ons lied, ons psalmgezang. Hij zal het maken dat we ons verwonderen moeten.”

maandag 9 april

Alom in Friesland sabotage: bomen omgezaagd of met springstof geveld, geulen dwars over wegen gegraven, bandenbommen tegen wegverkeer geplaatst, bruggen onklaar gemaakt.

De dood van Jan Dijkstra

Paniek als de Sneker sabotagegroep van BS maandagmiddag na een beraadslaging het bedrijfspand van scheepswerf Boomsma aan de Opperhuizerweg verlaat. Plotseling klinkt de waarschuwing: ’Jongens', de SD!’ De tien jonge mannen zetten het op een lopen langs het vaarwater, richting Oppenhuizen. Wanneer ze even verderop een geüniformeerde Duitser in het vizier krijgen, draven vijf van hen snel terug en springen in een bootje dat ze net waren gepasseerd. Zij ontkomen.

De anderen lopen door en worden even later aangehouden door de militair. Ze hebben afgesproken dat ze de kerel op zijn nek zullen springen als hij hen gaat fouilleren. Zover laat Jan Dijkstra het echter niet komen. Hij springt naar voren, waarop de Duitser zijn pistool op hem richt en de trekker overhaalt. Het wapen ketst. Drie van Dijkstra’s makkers weten te vluchten. Voor Dijkstra zelf, die in de eerste en de laatste week van februari nog betrokken is geweest bij twee gedurfde bevrijdingen van verzetsmensen uit het Sneker politiebureau, is het te laat. Achtervolgd door de Duitser vinden hij en Jan-Willem van der Kouwe een tweede roeibootje.

Ze springen te water en trekken het vaartuigje als schild tegen de rondvliegende kogels achter zich aan. Als Van der Kouwe op de wal klimt, wordt hij in de rug geschoten. Hij denkt dat zijn laatste uur heeft geslagen. Hij fluistert zijn maat toe dat hij alleen verder moet gaan. Daarop spurt Dijkstra weg, maar een Duitse kogel treft hem dodelijk. Van der Kouwe’s verwonding is niet dodelijk. Uiteindelijk zal hij het er levend van afbrengen.

Sabotage van de Jelteslootbrug

De sabotagegroep van Oudega (W) heeft opdracht de bruggen in d buurt open te draaien. Die maandag gaan de drie mannen er op uit. De brugwachter van de Wellebrug is niet ingenomen met hun komst. Liever ziet hij hen onverrichte zake vertrekken en hij maakt dat met zoveel woorden duidelijk. De saboteurs snoeren hem de mond en dwingen hem de brug open te draaien. Bij de even verderop gelegen Jelteslootbrug , onder de rook van Hommerts, krijgen de drie de schrik van hun leven. Vlak nadat ze de brug hebben opengedraaid, zien ze uit de richting Lemmer de kleine, deels afgeplakte lichten van auto’s op zich afkomen. Duitsers, dat kan niet missen. De Oudegasters kunnen zich net op tijd achter een hokje in het weiland pal naast de straatweg verschuilen. De mannen houden hun schiettuig gereed, ze zijn niet van plan zich zonder slag of stoot gewonnen te geven. Bij ontdekking is hun doodvonnis immers getekend.

De wagens stoppen echter abrupt en maken met gierende banden rechtsomkeert. Uit de portierramen worden geweren en pistolen naar buiten gestoken en in het wilde weg afgevuurd. Zo rap als ze kunnen ontsnappen de Duitsers uit de hinderlaag waarin zij kennelijk denken te zijn gelopen. Als de achterlichtjes van de Duitse auto’s snel kleiner worden, halen de drie Oudegasters achter het hokje opgelucht adem.

Door het oog van de naald

Diezelfde middag is een boerenwagen met wapens, munitie en springstof, verstopt onder een paar mud aardappelen, onderweg van Oostermeer naar Noordbergum. Een groep Duitse soldaten gooien hun ransels en uitrusting op de wagen en sommeren de voerman richting Veenwouden te rijden. De Duitsers hebben geen belangstelling voor de aardappelen. Even voorbij Veenwouden halen ze hun spullen van de wagen en geven ze de voerman toestemming om te keren. Die draait, nog doodsbenauwd, paard en wagen weer in de richting Veenwouden, naar de boerderij van de familie Klopstra aan de Zwette, waar in angstige spanning op hem wordt gewacht.

Het is een drukte van belang op de boerderij. Een paar weken eerder zijn al meer wapens aangekomen, afkomstig uit een zomerhuisje aan het Bergumermeer Oostermeer. Vrouwen zijn bezig 25 overalls klaar te maken voor de strijdgroepen in Noordbergum/Hardegarijp en de Trynwâlden. De oranje mouwbanden worden klaargelegd. Van verschillende kanten komen de groepen hun wapens halen bij de boerderij.

Jopie Miedema, een sectiecommandant van de BS in de Trynwâlden, wacht de avond af. Het is een spannende dag geweest. Het is al schemerig als hij een koffer met springstof meeneemt van de boerderij. Even wachten nog, tot de duisternis hem dekking biedt. Dan gaat hij op weg. In het Buitenveld tussen Veenwouden en Roodkerk fietst Miedema stevig door, de zware koffer achterop. Plotseling doemen vóór hem zwarte gestalten op. „Halt, landwacht”, klinkt het.

Miedema springt zonder te aarzelen van de fiets; de koffer ploft met een klap op de grond. De landwachters rennen op de koffer af om de inhoud te controleren. Miedema maakt van de gelegenheid gebruik. Hij rent voor zijn leven en weet in het duister te ontkomen. Als de verbaasde landwachters de springstof ontdekken is de vogel gevlogen. De volgende dag staan de hoge bomen langs de rijksstraatweg tussen Hardegarijp en de Grote Wielen er nog. De BS-sectie Trynwâlden zou de springstof gebruiken om de bomen te vellen, met de bedoeling de weg te versperren voor de naar het westen vluchtende vijand. De sectie Trynwâlden besluit af te zien van een nieuwe poging.

Van de koffer met springstof zal nooit meer iets worden gehoord. De Trynwâlders veronderstellen dat de landwachters de vondst niet bij hun superieuren hebben gemeld, omdat ze alleen maar een koffer gevangen hadden en geen verzetsman.

De klap bij Dronrijp

‘s Avonds tegen elf uur, klinkt een harde klap in de buurt van Dronrijp. Een goederentrein met 26 wagons die uit Leeuwarden komt, ontspoort. Het is het resultaat van het werk van de BS van Dronrijp, die onder leiding van Broer Dijkstra uit Hatzum 15 meter rails heeft losgemaakt. De locomotief en vijf wagons gaan verloren. Het davert door de doodstille nacht; de groep van Broer Dijkstra kan het 10 kilometer verderop horen. Eén Duitser raakt gewond. De lading, elektromotoren en afweergeschut, ligt langs d spoordijk. De bezetters zijn razend. De sabotagedaad zal een bloedig vervolg krijgen.

10 april

Brug Stokersvallaat bij Appelscha door BS en Fransen bezet. SD uit Groningen fusilleert tien gevangenen uit Groningen bij Bakkeveen, onder hen de Groninger kunstenaar Hendrik Werkman. Commandant Atse Bergsma van BS-district Heerenveen door SD gepakt, in gevangenis Crackstate opgesloten en kort daarop weer vrijgelaten.

Drents lid van de BS, Jan Eleveld, bij Appelscha door Landwachter doodgeschoten, tweede BS’er zwaar gewond. Tussen Haule en Haulerwijk landen weer Franse para-commando’s Bij Hemrik komt Franse Spitfirepiloot Arnaud de Saxcé om het leven doordat zijn parachute blijft haken aan zijn neerstortende vliegtuig.

Dropping bij Hemrik

De nacht valt. Zodra het donker is trekken Opsterlandse BS’ers naar de heide bij Lippenhuizen en Hemrik. De mannen wachten af. Ze zijn zenuwachtig, want op een kilometer afstand, bij Hemrik, liggen wel duizend Duitse militairen.

De slagzin ‘De boer voedt zijn varkens’ heeft gisteren één keer over de radio geklonken. Maar er is geen vliegtuig gekomen. Vandaag is de zin herhaald, twee keer. Dan komt het vliegtuig over. De bemanning schiet een lichtkogel af die de heide tot in de verre omtrek verlicht. „It like wol ljochtskyndei”, zullen de BS’ers later tegen elkaar zeggen. Ze voelen zich niet op hun gemak. Wat zullen de Duitsers in Hemrik doen?. Nog een keer komt het vliegtuig over, weer wordt een lichtkogel afgeschoten. En andermaal lijkt het wel midden op de dag. Als de machine voor de derde keer overvliegt komt er geen lichtkogel maar worden wapens uitgeworpen.

De jongens van de BS horen van de kant van Hemrik motoren aanslaan. Rennend, alsof de duivel hen op de hielen zit, verzamelen ze de wapens. Even later blijkt dat ze zich voor niets zorgen hebben gemaakt. De Duitsers komen niet. Via achteromweggetjes en zandpaden worden de wapens naar de bergplaatsen in het nabij gelegen bos gereden.

Schoten in de morgen

Dinsdagmorgen vroeg rijden in de buurt van Allardsoog een personenauto en een met zeil afgedekte vrachtwagen. Ze komen uit de richting Groningen. In de ene vrachtauto zitten tien gevangenen. Het zijn Adreas Gorter (45), hoofd van de openbare uloschool in Woldendorp, de hervormde predikant Sijbe Hoekstra (36) uit Midwolda, de timmerman-aannemer Jochem Kazemier (32) uit Veendam, de veearts Nanno Mulder (41) uit Noordbroek, de 34-jarige oud-burgemeester van Oldekerk Martinus Ritzema, de bouwkundig tekenaar Abel Sanders (25) uit Groningen, de manufacturier Albert Smid (34) uit Hoogkerk, de landbouwer Egbert Ubbens (43) uit Middelstum, de beeldend kunstenaar Hendrik Werkman (62) uit Groningen en de stempelfabrikant Anne van der Woude (53) uit Groningen. Het is mistig weer, deze vroege dinsdagochtend. Omwonenden horen voortdurend schoten, maar weten niet wat er aan de hand is. Arbeiders van de Heidemaatschappij, die in de buurt aan het werk zijn, zijn weggestuurd. Iemand die wel wat verneemt, is Henk van der Wielen, die op de volkshogeschool is ondergedoken.

Hij ziet Duitse overvalwagens langskomen en omdat hij zich niet veilig voelt, het veld in. Hij ontmoet enkele Duitsers en vraagt aan hen wat er aan de hand is. Ze zeggen tegen hem dat ze op vogels aan het jagen zijn. Later op die dinsdag zien sommigen Duitsers met geweren, die inderdaad op jacht zijn.

Het is raadselachtig. In de nacht van zondag 8 op maandag 9 april hebben omwonenden ook al een auto horen rijden. Later in de nacht, omstreeks kwart over drie, is er nog een voertuig gearriveerd. De vrachtauto is op Mandefjild komen vast te zitten. SD’ers hebben bij boeren in de omgeving paarden gehaald en geprobeerd de vrachtwagen los te trekken. Toen dat niet lukte, heeft een van hen in de volkshogeschool Allardsoog met Groningen gebeld. In de loop van de maandagochtend is een grote wagen met een Nederlands nummerbord dat begint met een A (de letter voor kentekens uit de provincie Groningen) aangekomen. Die heeft de gestrande vrachtauto met gevangenen losgetrokken. Beide auto’s zijn daarna richting Groningen gereden.

Mussert in Zurich

Op dinsdag 10 april, ’s morgens om een uur of tien, stopt een stoet auto’s voor café De Stenen Man in Zurich. Veel grijze volkswagens en een prachtige zwarte auto. „Die is van de koningin”, wordt er gezegd. De twintigjarige Fetje in de keuken gelooft het graag. Een korte man met een duffelse jas stapt uit met zijn chauffeur en loopt naar café-baas Hendrik Waterlander, Fetje’s vader. „Kunt u hier vandaag mijn gezelschap onderhouden?”, vraagt de man. „We willen vanavond doorreizen over de Afsluitdijk.”

Bars antwoordt Hendrik Waterlander: „We hebben hier niets anders te koop dan surrogaatranja.” Dat interesseert de man niet: een van de auto’s bevat een ruime drankvoorraad. Dus het gezelschap blijft –een man of tien, twaalf, van wie vier in uniform, twee vrouwen en twee kleine meisjes met mooie kleren en strikken in het haar. De man in zijn duffelse jas reist door naar Harlingen, om er de dag door te brengen bij NSB-burgemeester Dekker.

„Weet je wel wie dat is?”, vraagt de chauffeur met eerbied in zijn stem. „Wat kan mij dat schelen”’ zegt Hendrik. Het is ir. Anton Mussert, de leider van de NSB. De man die al bijna dertig jaar getrouwd is met de achttien jaar oudere zuster van zijn moeder, Rie Witlam, en die sinds 1942 een hevige liefde koestert voor zijn dertig jaar jongere achternichtje Marietje Mijnlieff. De zaterdag daarvoor heeft hij zijn laatste politieke redevoering gehouden in Den Haag.

Nadat de auto met drank verderop in een garage is gestald, worden een paar kisten naar De Stenen Man versleept. Een drankgelag van angst en wanhoop kan beginnen. Achter de toog staat Hein, de zoon van Hendrik. Eigenlijk is hij ondergedoken, maar dat kan die NSB’ers allemaal toch niets meer schelen. Het gezelschap is al gauw beneveld. Er wordt gescholden dat het kraakt. „Wil je niet voor me in de houding, klootzak!”, roept iemand boven alles uit. Een ander, in uniform, zegt: „We komen met een nieuw wapen!” Laconiek antwoordt een stem: „Dan moeten ze wel vlug wezen, de vijand is al haast in Heerenveen.” Fetje hoort het en krijgt medelijden met de NSB’ers die ze kent. Als die eens wisten door wat voor lui ze al die jaren geleid zijn.

Een paar leden van Musserts gezelschap vallen in slaap op de dijk: het is mooi, zonnig weer. Weer anderen krijgen honger. „We hebben niks te eten”, zegt Waterlander. „Dan halen we wel wat bij de soldaten uit Harlingen”, zeggen ze, en even later komt er inderdaad een grote gamel met voedsel in de keuken. Maar het eten is koud. Hendrik Waterlander zegt: „Ik heb geen hout voor de kachel”. „Dan haal je de doodskisten maar van het kerkhof”’, schreeuwt de man in het uniform. Maar de soep kan worden opgewarmd: de auto’s rijden op kolen, die het ook goed doen in de kachel. De twee dames uit het gezelschap komen ervoor naar de keuken.

„Wij zijn tenminste geen meikevers” (mensen die zich pas in mei 1940 aansloten bij de NSB, red), zegt de grootste. De kleinste roert in de kookpot. „Mijn man wou hoog”, zegt ze bitter. „Hij komt hoog te hangen”. Een grote man steekt zijn hoofd om de hoek van de deur. „Is de soep al klaar?” De vrouw antwoordt poeslief. „Schatje, wil je even proeven?” Later wil ze dat Fetje de pot schoonmaakt. „Thuis heb ik een dienstmeisje”, zegt ze. Wie is die vrouw? Fetje: „Ik mien fan mefrou Rost.” Maar helemaal zeker is ze er niet van. Het is ook onwaarschijnlijk, al is de hoogzwangere Florentine Rost van Tonningen-Heubel rond die tijd wel onderweg naar Terschelling, in de auto van De Nederlandsche Bank, waarvan haar man directeur is. Mussert en Rost van Tonningen hebben echter ruzie, waardoor het niet aannemelijk is, dat Rost's vrouw met Mussert is meegereisd.

Zelf herinnert ze zich het verblijf in Zurich niet. „Ik ben naar Harlingen gereden en vandaar naar Terschelling gegaan”, vertelt ze. „De Afsluitdijk ben ik niet over geweest. Dat was doodgevaarlijk.” In haar memoires schrijft ze bovendien dat ze haar man op 30 maart voor het laatst heeft gezien. Tegen de avond vertrekken de NSB’ers, sommige wankelen van de drank. Zij zijn echter niet de enigen die hebben geproefd. De drankauto is door de Surchers aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Net voor spertijd, acht uur is bijvoorbeeld Rintje Mulder komen aanlopen, zo uit de garage. „Ik bin dronken fan Mussert syn drank”, stamelt hij, waarna hij in bed wordt gelegd. Even na achten rijdt Mussert langs, in de richting van de Afsluitdijk. In een gewone grijze auto.

10 april

Wanorde in Leeuwarden

Het is dinsdag, de dag na de eerste sabotages. Overal in Friesland is het werk van de saboteurs zichtbaar. Duitse troepen die in oostelijke richting een veilig heenkomen zoeken stuiten op onklaar gemaakte bruggen, op omgezaagde bomen, spijkers op de weg. Ook in Leeuwarden komt de gecoördineerde sabotage op gang. Op zes plaatsen in de stad worden telefoon- draden doorgesneden. Het verzet vraagt brugwachters hun spullen te pakken en te verdwijnen. Alleen de mannen op de Electrische Brug bij de gevangenis en de Eerste Kanaalsbrug duiken met hun draaigereedschap onder. Op verschillende plaatsen in de stad worden vluchtelingen gesignaleerd. NSB’ers uit het oosten van Friesland, Groningen en Drenthe trekken door de stad, richting Afsluitdijk. De Leeuwarder NSB-burgemeester W.J. Schönhard voegt zich, op de fiets, bij de stroom.

In Huizum vorderen Duitse parachutisten aan de Verlengde Schrans huizen, compleet met inboedel. Op hetzelfde moment pakken aan de andere kant van de stad Duitse luchtmachtofficieren hun boeltje. Hoe wanordelijk de Duitsers op de loop zijn blijkt als een BS-groep die bij Overijsselsestraatweg bij Barahûs onder handen moet nemen, daar een groep van honderd dolende Duitsers aantreft die onderdak zoekt. Twee als politieman verklede BS’ers wijzen de soldaten de weg, terwijl de rest zich verscholen houdt.

Op verschillende plaatsen, in de Kazerne, in het Nieuw Stadsweeshuis, in de Huishoudschool in de Speelmansstraat en in de Gemeenteschool 7 aan de Arendstuin, liggen Duitse gewonden. Sommige Duitsers willen zich daar schuil houden om de bevrijding af te wachten. Tussen Marssum en Dronrijp is het zo druk met langsrijdende Duitsers dat de Dronrijpster BS-groep van Klaas de Vries het niet aandurft de brug over de Menaldumervaart open te zetten. De mannen gaan naar een nabijgelegen boerderij om er de landbouwmachines op te halen en daarmee de weg te blokkeren.

De boer is lid van de NSB. Binnen brandt licht en er wordt Duits gesproken. De BS’ers slaan een ruit in en zien de boer met twee leden van de Kriegsmarine aan tafel zitten. De man slaat verschrikt op de vlucht. Er wordt op hem geschoten, in de schuur bezwijkt hij aan zijn verwondingen. Een fiasco. „Er is nooit weer over gesproken”, vertelt Broer Dijkstra uit Hatzum, leider van de andere BS-ploeg van Dronrijp, in het gedenkboek ‘Net ferjitte’. „Niemand wilde de verantwoordelijkheid.”

woensdag 11 april

Uit Duitse ‘Sondermeldungen’, opgetekend door de Luisterpost:

Tussen Heerenveen en Wolvega bevinden zich meerdere springplaatsen. Lazarett-trein 316.296 is met één as ontspoord. Menaldumadeel:

I. Sabotagehandelingen in de nacht van 9/10 April ’45.

a. in Menaldum is de brug in de Miedwei versperd met op elkaar gestapelde boerenwagens. De wegwijzers bij het kruispunt Dronr.weg- Berlicum zijn zwart geverfd. De wegwijzers op het gemeenteplein zijn omgewisseld.
b. dorp Slappeterp is de plaatselijke weg versperd met boerenwagens.
c. dorp Beetgum, brug in de weg Beetg.molen-Menaldum versperd met 3 boerenwagens, beladen met stenen.
d. dorp Wier plaatselijk versperd met boerenwagens.
e. Dronrijp, kanaalbrug opgehaald, brugwachter met familie ondergedoken.
f. Marssum: brug te Ritsumazijl versperd omdat de ijzeren stangen bij deze brug doorgezaagd zijn en dwars over de brug gelegd. Brugwachter met familie ondergedoken.

II. In de nacht van 10/11 april is op de grens der gemeente Menaldumadeel en Franekerdeel een springstoflading dwars over de weg tot ontploffing gebracht, in dit deel van de weg is een gat ontstaan van plm 1½ tot 3 meter, 2 meter diep. Het gat is weer dichtgemaakt.

Feldgendarmerie 10-4-45

Om 22.30 uur is aan de Postweg Drachten-Boornbergum een ontploffing in elkaar gezet; de brug is niet zwaar beschadigd, wordt vandaag weer gebruiksklaar. 10-4-45 weg tussen St. Anna en St. Jacob ongeveer 1½ km opgebroken, door de Postenführer werd de gemeente voor herstel aansprakelijk gesteld, de straat is heden 11-4 ’s middags weer berijdbaar.

III. Franeker PTT gisteren gestaakt. De Technische dienst is thans bezet door de Weermacht. De brugwachters van Franeker zijn verdwenen met hun gezinnen. De bruggen zijn intact. (Maar de brugwachter hadden de sleutels meegenomen zodat de scheepvaart gestremd was -red. LC). In de nacht van 10-4-45 tussen 23 en 24 uur werd een aanslag op de brug in Rien uitgevoerd. De brug werd opengedraaid en aan de open zijde werd een auto half over de muur gereden, aan de andere zijde was een barricade van landbouwmachines gebouwd. De daders werden door 2 soldaten gestoord en verjaagd.

Tewerkstelling bij gesaboteerde trein

’s Ochtends worden zo’n 25 man uit Blessum, Boksum en Deinum in alle vroegte van hun bed gelicht om de rommel rond de ontspoorde trein bij Dronrijp op te ruimen. De verwrongen brokken metaal zijn veel te zwaar om ze met louter spierkracht en blote handen te verslepen. Ze kunnen weinig uitrichten, maar moeten bij de trein blijven. De hele dag.

’s Avond valt een Duitse soldaat in het water. Niemand kan zwemmen, met veel moeite wordt hij opgevist. Als Lieuwe van der Meer en Dirk Beekhuizen de drenkeling die het niet gehaald lijkt te hebben, toch kunnen reanimeren, raken de Duitsers wat gunstiger gestemd. Maar nog mogen de dorpelingen niet naar huis.. Ook om elf uur niet, als de trein van de opruimingsdienst uit Leeuwarden is gearriveerd. Pas de volgende morgen, nadat de lamgelegde trein een makkelijke prooi is gebleken voor Engelse vliegtuigen, zullen de gedwongen opruimers hun persoonsbewijzen terugkrijgen.

Het tweelingdorp Hommerts-Jutrijp deze woensdag. Begraven wordt de twaalfjarige Berend Nijholt, die vier dagen eerder bij een beschieting door twee geallieerde jachtvliegtuigen is gedood. Tegen zes uur in de namiddag waren de jagers, vermoedelijk Amerikaanse, komen aanvliegen. Scherend in de lengterichting over de Jeltewei hebben ze om onduidelijke redenen een passerende ziekenauto van het Sneker Sint Antonius Ziekenhuis geraakt, drie woonhuizen, een stal, een timmermanwerkplaats en een onbewoonde boot. De inzittenden van de ambulance, twee verpleegsters en een chauffeur, zijn als door een wonder ongedeerd gebleven. De wagen is echter volledig uitgebrand.

Maar de kleine Berend Nijholt is bij het huis van zijn ouders dodelijk getroffen. Zijn broertje Sietse (9) en buurjongen Wibbe Bouma (8) zijn gewond. In de stal worden later twee koeien en twee paarden dood aangetroffen. Sabotageploegen onder andere uit Sneek, nemen her en der langs de Leeuwarderweg Duitsers onder vuur. Ook worden bomen op de weg gelegd. Bij Speers ontstaat een vuurgevecht met zo’n twintig passerende Duitse soldaten. De BS’ers, deels verdekt achter een boerderij, houden de overhand, doden enkele tegenstanders en weten uiteindelijk te ontkomen. Dat laten de Duitsers niet over hun kant gaan. Uit wraak laat de verantwoordelijke commandant handgranaten in de woonkamer van boer Marten Bruinsma gooien. De onschuldige veehouder en zijn zoon Nolle Wypke komen om.

‘Todeskandidaten

Uit het Burmaniahuis in Leeuwarden, waar de Sicherheitsdienst zetelt, worden veertien gevangen verzetsmensen in vijf auto’s gezet en afgevoerd naar Dronrijp. Ze zullen worden doodgeschoten als represaille voor de sabotage van de BS, die de vorige dag de trein bij Dronrijp uit de rails heeft laten lopen. Twee arrestanten, Peke Dolstra en Auke de Vries, blijven achter. SD-Hauptsturmführer Arthur Albrecht, die in 1952 als laatste oorlogsmisdadiger ter dood zal worden gebracht, ontfermt zich over hen. Hij wil ze ‘op de vlucht neerschieten’. Peke Dolstra maakt deel uit van de ’actieve tien’, een groep binnen de Leeuwarder NBS die gevaarlijke klussen uitvoert zoals wapentransporten.

Peke Dolstra is al eens eerder door de SD, op grond van vage vermoedens, gearresteerd op 1maart. Hij is echter stug blijven ontkennen iets met illegaliteit te maken te hebben. Mede doordat zijn zuster de Duitsers mild weet te stemmen door hen rijkelijk van jenever te voorzien wordt Peke op 31 maart wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten.

Maar op zaterdag 7 april is het misgegaan. Dolstra staat zich nog te scheren als Jelte de Boer aanbelt. Hij is lichtelijk in paniek. „Wegwezen, Peke! De Duitsers zitten ons op de hielen. Ze hebben identiteitskaarten gevonden van Toon Allerliesten in de Sint Jacobsstraat. Je moet meteen verdwijnen Ze kunnen je ieder moment komen halen.” Dolstra reageert laconiek. „Ik wil me eerst even fatsoenlijk scheren.” „Nee, je moet onmiddellijk wegwezen,” zegt een kwade De Boer terwijl hij op zijn fiets springt. „Ja, ja, ik ben zo weg Jelte.” Nauwelijks is De Boer om de hoek van de straat verdwenen, of SD’ers onder leiding van Oberscharführer Friedrich Grundmann stormen het huis van Dolstra binnen. „Godver de godver…”’ vloekt Dolstra, die zich wel voor de kop kan slaan. Grundmann lacht tevreden. „Schau mal, da haben wir wieder den Dolstra.”

Nu, op deze woensdag, behoort Dolstra evenals de drie gebroeders Wierda tot de zestien ‘Todeskandidaten’ die uit wraak voor de sabotage-acties geëxecuteerd zullen worden. Veertien man worden in vijf personenauto’s geladen en afgevoerd naar Dronrijp. Albrecht, de topman van de SD in Leeuwarden, gelast Dolstra en Auke de Vries (die afgelopen zondag is gearresteerd terwijl hij wapens schoon zat te maken) in zijn eigen auto plaats te nemen. „Mit diesen zwei Leute beschäftige ich mich hochstpersönlich”, vertrouwt hij zijn ondergeschikte SD’er Emiel de Gendt grijnzend toe. Voor de Mauermuur op de Harlingerstraatweg, ter hoogte van het huis De Peppel, moeten Dolstra en De Vries uitstappen. „Raus, sofort raus.” Dolstra en De Vries moeten 15 meter voor de beide SD’ers uitlopen, in de richting van de muur. Dolstra weet wat dat betekent. Over een paar minuten krijgen ze een schot in de rug. Op de vlucht neergeschoten.

Zijn hersens werken razendsnel. Afwachten betekent de dood. Hij moet zijn kansen grijpen nu het nog ka. Langzaam halen de SD’ers hen in. Uit zijn ooghoek ziet hij het pistool van Albrecht. Dan draait hij zich snel om. Albrecht, die moet hij hebben. Hij slaat het pistool uit de handen van de Duitser en springt hen naar de keel. De Duitser wankelt en valt. Beide mannen rollen in de sloot. De Gendt is geschrokken, maar snelt zijn baas meteen te hulp. Hij schiet. De kogel suist rakelings langs het oor van Dolstra. „Nicht schiessen, Dummkopf”, schreeuwt Albrecht zijn ondergeschikte toe, uit angst zelf geraakt te worden.

Auke de Vries heeft het ondertussen op een lopen gezet. De Gendt schiet op hem. De kogel raakt De Vries in de arm, maar hij weet te ontkomen. Dan springt ook De Gendt in de sloot. Maar de goed getrainde Dolstra –gymnast en keurturner – is sterker dan ze denken. Er wordt getrapt en geslagen. Uiteindelijk geven de SD’ers het op. Ze stappen in hun auto en gaan versterking halen. Dolstra strompelt terug naar de stad en duikt onder. In het Burmaniahuis is het gegrinnik niet van de lucht als bekend wordt dat Albracht en De Gendt bebloed en met gescheurde kleren zijn teruggekeerd van hun missie. Vooral De Gendt – bijgenaamd ‘de hond’ – heeft het zwaar te verduren als hij met zijn hoofd in het verband in het Burmaniahuis verschijnt.

Fusillade bij Dronrijp

SD uit Leeuwarden fusilleert bij de brug te Dronrijp 14 gevangenen:

Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra, Douwe Tuinstra, de drie broers Egbert Mark Wierda, Klaas Jan Wypcke Wierda en Hyltje Wierda, Sijbrandus van Dam, Heinrich Harder, Dirk de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra, Johannes Marinus Ducaneaux en Oudger van Dijk. De beide laatsten worden wegens (vermeende) banden met de bezetters niet herdacht op het monument bij de brug. Gerard de Jong overleefde de executie.

Pogingen van de BS om deze executie te voorkomen mislukten; de opdracht bereikte de BS-gevechtsgroep die in Baaium was ondergebracht, te laat. Men was ook bang voor een tweede ‘Putten’ voor Dronrijp indien de SD’ers waren aangevallen. De bevolking van Dronrijp was woest op de BS:„Dit bereiken jullie nu met jullie sabotage.” Bij Speers zijn Marten Bruinsma en diens zoon Nolle Wypke gedood als represaille voor aanslag op een groep Duitsers in de buurt van hun boerderij. Duits officier sneuvelde.

SD Leeuwarden kon geen represailles ondernemen voor de aanslag bij Zandbulten (LP) omdat men geen vervoer had. Leeuwarder SD-commandat Albrecht wil gevangen genomen BS’ers Peke Dolstra en Auke de Vries bij Harlingerstraatweg te Leeuwarden ‘op de vlucht doodschieten’. Mislukt door hardhandige verdediging van judoka Dolstra. Beide gevangenen ontkomen.. Bij Stokersvallaat in Appelscha gevecht tussen BS en Duitsers. Duitsers trekken terug. Fransen terug naar boerderij Rooks.

Canadezen in gevecht met Duitsers bij Noordwolda.

Henk Robben, die samen met zijn broertje Jan als hongerevacué uit Rotterdam naar Friesland is gekomen, staat ’s middags voor het slaapkamerraam bij zijn gastouders Stockman in Dronrijp. Een colonne Duitse auto’s rijdt door de straat. Op de treeplanken zitten zwaarbewapende Duitse soldaten, de passagiers zijn burgers. „Een man zit zo dat hij schuin naar achteren kijkt”, schrijft Robben in zijn uitgegeven herinneringen. „Hij draagt een blauwe overall. Kijkt hij naar mij of is het verbeelding? (…) Later, in mijn dromen, zie ik die man steeds omhoog kijken naar mij. Hij kijkt naar een kind van tien jaar dat op dat moment niet weet wat alle inzittenden maar al tegoed beseffen: dit is hun laatste gang”.

Jan Robben zwerft door de weilanden en ziet de stoet naar de opengezette brug over het kanaal rijden. Hij sluipt erheen en ziet hoe een aantal auto’s voor het brugdek halt houden. Burgers worden langs de steile trap omlaag gestuurd, Duitse soldaten volgen. Jan loert tussen de pijlers door en ziet de burgers een meter of vijftien van de walkant staan. De Duitsers staan tegenover hen, het geweer in de aanslag. Het is de fusillade, De burgers vallen neer, de Duitsers vertrekken.

Onder de slachtoffers zijn theologiestudent Mark Wierda en zijn broers Klaas en Hyltje. „Dizze libbet noch”, roept een toegesnelde arbeider uit de melkfabriek. Het is Gerard de Jong uit Huizum, die zich dood heeft gehouden.. Ook Johannes Nieuwland leeft nog, maar hij voelt dat hij sterft en zegt dat ze hem maar moeten laten liggen.

De auto’s komen, zonder meerijders op de treeplank nu, terug door Dronrijp. Henk Robben rent naar de brug, net als vele andere kinderen uit het dorp. „Beneden, in het gras onder aan de dijk, liggen de lichamen van wel meer dan tien mannen. Op hun rug liggen ze. Ze lijken ons aan te staren. Daar vlak onder mij ligt een man in een blauwe overall. Sommigen hebben donkere plekken op hun gezicht”.

Tegenwoordig staat er een gedenkteken met de namen van elf van de dertien slachtoffers. De twee die ontbreken zijn Johannes Marinus Ducaneaux, ‘Dokter Brouwer’, die verdacht wordt van dubbelspionage in Leeuwarden, en Oudger van Dijk, een opportunistische Leeuwarder fabrieksarbeider die vrijwilliger was bij de Waffen-SS en gedeserteerd was toen het Duitsland minder voor de wind ging.

Graf bij Allardsoog

Bij Allardsoog hebben de arbeiders van de Heidemij, die een dag eerder door de Duitsers zijn weggestuurd, in het land waar ze aan het werk gaan een plek ontdekt waar gegraven is. Als ze wat aarde wegscheppen, ontdekken ze een lijk. De voorman besluit het gat weer dicht te gooien en laat de volkshogeschool waarschuwen. Er zouden wel eens slachtoffers van de SD kunnen liggen. Al de leiding van de volkshogeschool contact heeft gezocht met Hendrik Klazema uit Lippenhuizen, commandant van de BS in Opsterland, besluit die een wacht te organiseren. Onder aanvoering van Simon Jelgersma wordt ’s nachts bij het graf gewaakt. De mannen verwachten dat de SD’ers terugkomen om er meer mensen te executeren. Maar er komt niemand.

Op zondagmorgen 15 april. ’s Morgens om zes uur, zal het graf worden geopend. Men vindt tien doden. De slachtoffers liggen twee aan twee voorover half over de twee voorgaande heen. Ze zijn gedood door schoten in hun achterhoofd. Op een wagen worde de doden naar Bakkeveen gebracht. Daar wordt ieder van hen in een kist gelegd en opgebaard in het verenigingsgebouw van de hervormde kerk.

Op dinsdag 17 april worden ze begraven. Negen in Bakkeveen, en een elders. Het is Jochem Kazemier, die in zijn geboorteplaats Aduard ter aarde wordt besteld. Ongeveer 2500 mensen bewijzen de negen doden in Bakkeveen de laatste eer. Later zullen nog eens acht doden naar het kerkhof in hun woonplaats worden overgebracht.. Een dode blijft in Bakkeveen: de kunstschilder Hendrik Werkman uit Groningen.

Terugkeer van Held

De Duitsers die in Irnsum gelegerd zijn, vorderen in wijde omtrek paarden en eten bij de boeren. De boeren zelf moeten mee naar Lemmer, omdat de dieren en het voedsel met de Duitse soldaten mee moeten naar Holland. Ze gaan in de nacht. Overdag reizen is te gevaarlijk door de grote kans op beschieting van geallieerde jagers. Ook Pier van der Velde uit Flansum gaat met een wagen vol zijden spek op weg. Als hij in Lemmer mee op de boot moet, is zijn leven niet veel meer waard, vreest hij. Ze zullen op het IJsselmeer vast worden beschoten. Nog vóór Lemmer weet hij in een onbewaakt moment zijn beest los te haken. Hij laat de wagen met spek staan en keert op het niet beslagen paard terug naar huis.

Kees Hellinga weet in Jutrijp, dat de kleine Berend Nijholt net heeft begraven, te ontkomen. Maar buurman Jaring de Wolf ziet geen kans te ontsnappen. Hij moet mee naar Lemmer. Daar laat hij zijn paard en wagen achter en ontkomt in de nacht door allerlei steegjes. Hij gaat naar zijn broer, die boer is bij Kuinre. De volgende nacht, van donderdag op vrijdag, zullen andere boeren uit de omgeving gedwongen op pad gaan. Anke (Andries) Hofstee, knecht bij de veefokker Jan Hoogterp in Dearsum, die de prijshengst Held naar Lemmer moet brengen, zal zeggen: „Ik lit Held net allinnich”. Hij houdt woord en gaat in het morgenduister van vrijdag de dertiende aan boord. Enkele uren later zal hij veilig de overkant bereiken. Weken na de Duitse capitulatie zal hij ongedeerd via de Afsluitdijk terugkeren. Tezamen met Held.

12 april

Dood in het Koepelbos

Op donderdag 12 april treken de Canadezen Oldeberkoop binnen en richten een tijdelijk hoofdkwartier in de opkamer van de boerderij van Heida. Bij hen is een Nederlandse verbindingsofficier. In de loop van de dag begraven ze op het erf van Heida ook hun gesneuvelde kameraad Wilfred Berry. Vrijdagmorgen 13 april voeren de Canadezen de eerste gevangenen aan; Duitse militairen die zich hebben overgegeven. Ze worden bijeengebracht op het grasveld voor de opkamer van de familie Heida bewaakt. De bewaking wordt gevormd door twee mensen van het verzet, die contact met de Canadezen hebben gezocht: de Oldeberkoper Foppe Kuiters en de uit Lippenhuizen afkomstige Luitzen van der Wal.

Luitzen van der Wal heeft een grote staat van dienst in de illegaliteit. Hij heeft enkele goede vrienden zien sneuvelen bij de Grebbeberg en toen hij kort na de veertiende mei 1940 weer thuiskwam, was hij een ander mens geworden. Hij weigerde de Duitse order zich weer te melden, werd begin 1941 aangehouden en tot vijftien jaar dwangarbeid in Duitsland veroordeeld. Hij heeft weten te ontsnappen en heeft zich in het verzet gestort. Hij is onder de schuilnaam Miekie actief in een knokploeg in Drenthe. Een van zijn grootste wapenfeiten is de hulp die hij heeft verleend bij het veilig wegbrengen van de bevrijde verzetsstrijders bij de overval op het huis van bewaring in Assen op 11 december 1944. Luitzen bestuurde de kaasauto, waarmee de bevrijden naar veilige onderduikadressen in Haulerwijk, Bakkeveen, Donkerbroek en Oldeberkoop zijn gebracht.Luitzen is ondergedoken in Oldeberkoop, bij Arend Nooij.

In maart 1945 hebben landwachters en SD’ers hem daar gevonden. In afwachting van zijn afvoering naar Crackstate zetten ze ham gevangen achter prikkeldraad in een doodlopend steegje in het centrum van Oldeberkoop. Luitzen wist dat hij ten dode was opgeschreven.

Maar toen kam er een kans; de bewaker werd door een voorbijkomende vrouw afgeleid en de arrestant is razendsnel over het prikkeldraad geklommen en er vandoor gegaan. Er is nog wel op hem geschoten, maar hij is niet geraakt. Deze herinneringen komen bij hem boven als Canadese militairen in de loop van de vrijdagochtend tien Nederlandse Waffen SS’ers en landwachters op het erf van Heida brengen. Ze zijn tezamen met Duitse soldaten gevangen genomen. De mannen worden gefouilleerd en moeten hun wapens afstaan. Luiten en Foppe krijgen ook deze mannen te bewaken. Er zijn enkele Oostgroningers bij: Otto Frikken, Heike Ham en Douwe Jonkman.

Twee van hen komen uit Gelderland: Hendrik Dales en Gerrit Jan Seevinck. De jongste in landwachtersuniform is Bertie Hommes, net een week eerder negentien jaar geworden. Hij is de zoon van een caféhouder, een NSB’er, die tot 1943 in Noordwolde woonde en toen naar Steenwijk is verhuisd. Er heerst een gespannen sfeer. De beide verzetsmensen hebben hun herinneringen en de Canadezen zijn geprikkeld. Het verse graf op het erf van Heida herinnert hen voortdurend aan hun gesneuvelde vriend Wilfred Berry. De Canadezen weten niet precies wat ze met het tiental aanmoeten. De Nederlandse verbindingsofficier neemt contact op met onderwijzer K. Bosje, lid van de Ordedienst en plaatselijk leider van de BS. Hij vertelt hem dat ze net tien Nederlandse landwachters en SS’ers gevangen hebben genomen, en dat de Canadezen die wel kwijt willen aan de BS. „U mag ze hebben. U doet maar met ze wat u wilt,” hoort een verbaasde Bosje de man zeggen. Hij denkt even na en weigert. De officier zegt dan:„We zullen ons er wel mee redden.” Hij gaat terug naar Heida.

Omstreeks elf uur besluit de Canadese commandant dat de tien gevangen Nederlandse-in-Duitse krijgsdienst zullen worden afgevoerd naar een interneringskamp bij Vledder. Het gezelschap moet op een legerauto plaatsnemen. Een Canadese soldaat bestuurt de wagen, Luitzen en Foppe gaan mee als bewakers. De auto rijdt langzaam in de richting van Noordwolde. Wat er dan gebeurt, is nog steeds een mysterie. In Oldeberkoop wordt er tot vandaag de dag alleen maar fluisterend over gesproken.

Volgens de verhalen is het wapen van een van de bewakers per ongeluk afgegaan. De SS’ers en landwachters zouden daar wat spottend om hebben gelachen. Daarna zou een van de gevangenen een pistool bij zich blijken te hebben, dat bij de fouillering onopgemerkt moet zijn gebleven. Het drama voltrekt zich vervolgens in hoog tempo ter hoogte van de Bovenweg. Zeker is in elk geval, dat er opeens geweervuur klinkt en dat de tien gevangenen dood neervallen.

Enkele jaren na de oorlog zal de rijksrecherche de zaak onderzoeken. Dat rapport wordt niet openbaar. Achtendertig jaar na deze schokkende gebeurtenissen zal Lou de Jong in deel 10b van zijn werk over de bezettingstijd schrijven dat de Canadezen de tien voor het vuurpeloton hebben geplaatst. Leden van de BS hebben volgens De Jong geen aandeel gehad in het doodschieten van de tien.

In de streek rondom Oldeberkoop wordt iets anders verteld. Lourens Looijenga zal die verhalen in 1985 vermelden in zijn boek over Weststellingwerf in oorlogstijd. In 1994 zal W.H. de Vries er nog eens op ingaan in zijn serie over de oorlog in de Stellingwerven in het blad Regio Expres. Volgens die verhalen hebben Luitzen van der Wal en Foppe Kuiters bij het doodschieten van de tien een actieve rol gespeld. Als de net genoemde verhalen worden gepubliceerd, is Kuiters al lang overleden. Men neemt dat ook aan van Van der Wal. Ten onrechte. Maar hij is wel helemaal uit het zicht verdwenen. Het verhaal van dat pistool klinkt waarschijnlijk. Sommige Oldeberkopers hebben dat wapen gezien in handen van de Canadese chauffeur, toen deze na afloop terugkeerde bij Heida. Toen hij eerder vertrok met de gevangenen had hij dat wapen nog niet, zo weet men. De Canadees zou hebben verteld dat hij dat wapen als souvenir mee naar huis wilde nemen.

Luitzen van der Wal is een halve eeuw later een man van 78 jaar oud. Enkel attaques zullen gaten in zijn geheugen hebben veroorzaakt. Maar hij herinnert zich dan wel dat hij het geweer heeft gehanteerd, waarmee de fatale schoten op die fatale vrijdag worden gelost. Hij suggereert dat de Canadees het bevel heeft gegeven. „Ik wie soldaat, no.” Uit zijn woorden blijkt iets van de sfeer daar bij het Berkoopster Koepelbos op de meest dramatische dag in zijn leven.

De Duitsers waren nog steeds op enkele kilometers afstand. Ze konden, zo voelde Luitzen van der Wal, ieder moment weer komen opdagen. En dan zou het leven van de ‘terrorist’ die hij in hun ogen is geen stuiver meer waard zijn. Allerlei herinneringen aan het lot van door handlangers van de bezetter gedode kameraden gingen door zijn hoofd. Zo moet het ongeveer zijn geweest. Toen de tien waren doodgeschoten, zijn de drie mannen teruggekeerd naar Oldeberkoop. De lijken blijven liggen en zijn pas veel later begraven in het Koepelbos.

donderdag 12 april

Brug Stokersvallaat opnieuw door Fransen bezet. In Oldeholtpade sneuvelt Canadese militair Wilfred Berry in gevecht met Duitsers. BS bezet brug over de Linde, ten zuiden van Wolvega. Canadezen krijgen bij Mildam brug over Tjonger in handen.

Verbindingsofficier Jan Brouwer van staf van Piet Oberman, commandant van de sabotagegroepen van de BS, komt in contact met commandant oprukkende Canadezen. Oberman belooft dat BS drie bruggen in Achtkarspelen en brug over het Kolonelsdiep voor oprukkende Canadese troepen zal beschermen. Bij Oudega (W.) ontspoort als gevolg van eerdere sabotage Duitse trein met 150 ton munitie. Wordt door geallieerde vliegtuigen in brand geschoten. In Leeuwarder postkantoor worden blokjes trotyl die Duitsers hadden aangebracht om gebouw op te blazen, vervangen door blokjes hout. Bootdienst van Harlingen naar eilanden stopgezet.

De dood van een Canadees

Trooper Wifred Terry (25) heeft met de Royal Canadian Dragoons al heel wat meegemaakt. De mannen hebben gevochten in Italië, bij Marseille en zin Zuid-Nederland. Daarmee vergeleken valt de opmars door Friesland in het niet. De vluchtende Duitsers vormen een gemakkelijke prooi. De oorlog zal snel afgelopen zijn. Maar voor Berry, de chauffeur van een pantserwagen, komt het einde echter al op de Hoofdweg in Oldeholtspade. Hij bestuurt de voorste van drie pantserwagens en rijdt de gemeente Weststellingwerf binnen via Noordwolde en Oldeberkoop. Door Nijeholtpade en Oldeholtpade zal het richting Ter Idzard, Mildam en Oranjewoud gaan. Wolvega wordt gemeden, omdat daar de Duitsers nog te sterk zijn. In plaats van in Oldeholtpade rechtsaf te slaan de Hamersweg op, rijdt Berry per ongeluk rechtdoor, over de Hoofdweg, richting Wolvega. Daar fietsen twee Duitse soldaten hem tegemoet. Ze verschuilen zich onder een bruggetje aan de noordzijde van de weg. Met een steelhandgranaat schakelen ze de wagen van Berry uit. De jonge Canadees raakt zwaar gewond. De wagen rijdt onbestuurd in een mangat naast de weg voor de woning van Andriesje Dekker-Oosterhof. Zij staat de stervende Berry bij in zijn laatste ogenblikken.

De Canadezen trekken zich na de aanval snel teug in de richting van Oldeberkoop. De Duitsers zoeken een veilig heenkomen in de buurt van Wolvega. De wagen van Berry blijft verlaten achter. In de loop van de dag wordt alles eruit gestolen. Het bevrijdingsnummer van het illegale blad De Koerier zal later schande van de plundering spreken. „Zij stoten het lijk van de gesneuvelde Canadees ruwweg aan de kant om hun roofzucht te botvieren.”

Weerzien in Garijp

Het is mooi zomer weer (op donderdag 12 april). Op het erf van de boerderij van de familie Benedictus bij Garijp is grote groep Duitsers neergestreken. Harmen Benedictus is twaalf. Hij ziet hoe twee Duitsers elkaar plotseling om de hal vallen. De mannen snikken het uit. Het is de kleine Harmen niet meteen duidelijk wat er gebeurt.

Dan beseft hij wat er aan de hand is. Een Duitse vader treft voor het eerst in jaren zijn zoon weer. Beiden wisten van elkaar niet of ze nog in leven waren. Het weerzien van vader en zoon laat niemand onberoerd. „Mijn moeder kon haar emoties bijna niet bedwingen”, herinnert Benedictus zich. „Ze heeft de beide Duitsers in huis gehaald.” Vader en zoon zitten een tijdlang in de voorkamer met elkaar te praten.. Als ze de boerderij verlaten, zijn ze niet meer in uniform. Na het emotionele weerzien hebben ze besloten dat het genoeg is geweest. „Ze hebben van ons burgerkleren gekregen en ze zijn naar de schuur van Durk van der Molen gebracht. Daar had de ondergrondse een depot. Er zaten nog meer gedeserteerde Duitsers. Bij ons konden ze niet blijven, want wij hadden al zestig Duitsers in de hooiberg.”

Het einde van vliegbasis Leeuwarden

Intussen wordt Leeuwarden opgeschrikt door het geluid van hevige explosies. „Lûde knallen en grutte fonteinen fan peallen en planken”, zo omschrijft een ooggetuige uit Marssum het vuurwerk waarop de Luftwaffe de omwonenden van het vliegveld die donderdag trakteert. De Fliegerhorst Leeuwarden, ooit een belangrijke basis voor de luchtoorlog met de Engelsen, vliegt de lucht in. Het terrein, voor de oorlog een eenvoudig en onverhard landingsveldje voor een dagelijks burgervluchtje op Amsterdam, was al gauw na de Duitse inval uitgebreid tot een grote militaire basis, waarvan de officieren zich de riante huizen aan de Mr. P.J. Troelstraweg hadden gevorderd. Gedurende een groot deel van de bezettingsjaren is de basis Leeuwarden een belangrijke schakel in Hitlers luchtverdediging geweest.

Het terrein strekt zich uit tot Beetgumermolen en Stiens, met munitiemagazijnen op plekken die anno 1995 nog door de NAVO worden gebruikt. Maar naarmate de oorlog vorderde en de bezetters aan de verliezende hand zijn geraakt is de basis Leeuwarden doelwit van luchtaanvallen geworden. In de eerste maanden van ’45 hebben de Duitsers nog geprobeerd een nieuwe startbaan aan te leggen. Maar door geallieerde bombardementen is de drainage van het terrein kapot, zodat het veld er zeer nat bij ligt. Vel hangars zijn half afgebroken. Half april wordt er al niet meer gevlogen.

Als de Duitsers de basis eenmaal hebben verlaten, bieden de opgeblazen hangars en gebouwen stookhout aan een massa volk. Met karren, fietsen, jutezakken en alles wat het sjouwen vergemakkelijkt, trekken drommen Leeuwarders en dorpelingen uit de omgeving naar het veld. Er wordt hen geen strobreed in de weg gelegd, want de Duitsers hebben het veel te druk met zichzelf. Het plunderen van de ruïnes op het vliegveld is een voorschotje van de bevrijding. Maar de spanning blijft in de lucht hangen. Tot aan de komst van de Canadezen op 15 april, herinnert de Marssumse ooggetuige zich: „Earst doe koe ik wer omraak ite en waard ik sûnt moannen wer ûngesteld.”

De trein bij De Brekken

Johannes Walinga, lid van de verzetsgroep Oudega (W), die onder leiding staat van Meine Verbeek, bevindt zich op deze donderdagochtend op zijn onderduikadres in de omgeving van Osingahuizen. Walinga, breedgeschouderd, 25 jaar en van het type ‘net te benaud’, spitst de oren en gaat staan. Hoewel de boerderij een flink eind van de spoorbaan gelegen is, weet hij het zeker: er is een trein onderweg. Hij schiet zijn jas aan, springt op een fiets met kussiebanden en rijdt naar het enkele kilometers verder gelegen Sandfinden, en vandaar het land in naar de ruïne van de boerderij van Sietse Reitsma. De boerderij is een tijdje geleden door Duitsers, die op zoek waren naar wapens en onderduikers, in brand gestoken. Walinga gaat tegen een kapotte muur zitten en wacht op de dingen die komen gaan.

Drie dagen eerder, toen het verzet de opdracht kreeg bruggen open te draaien of onklaar te maken, heeft zijn aanvoerder Meine Verbeek van de Sneker districtsoperatieleider toestemming gekregen voor het saboteren van de spoorlijn tussen Sneek en Staveren. Verbeek die in zijn woonplaats stationschef is geweest en het nodige van locomotieven, seinen en rails weet, heeft via-via gehoord dat de trein die al wekenlang verdekt staat opgesteld bij het station in Sneek, bomvol met munitie zit. Ongetwijfeld bestemd voor de Vesting Holland. Als die trein ontspoort, scheelt dat de terugtrekkende schietgrage Duitsers ongetwijfeld een beste slok op de borrel, hebben Verbeek en de zijnen beredeneerd. Lang kan d trein niet meer in Sneek blijven, want de Canadezen kunnen ieder moment komen. Dat de Duitsers zo lang talmen, is een bewijs voor de waardevolle lading. Ze zijn immers als de dood voor de Engelse jachtvliegtuigen die schieten op alles wat verdacht is.

Verbeek is tot de conclusie gekomen dat de ontsporing op het al lang onbereden traject Sneek-Staveren ‘op de iepen vlakte’ èn in een bocht moet gebeuren. Daar is de kans op ontsporing het grootst, veronderstelt hij. Nadat de keus is gevallen op een plek ten westen van de Oudegaster Brekken zijn Verbeek, bakker Wietse Valkema en Thijs Westra langs de spoorbaan gelopen en hebben zij op de bestemde plaats een flink aantal bouten uit de belzen gedraaid.

De dag daarop hebben Verbeek en de zijnen uit Sneek te horen gekregen dat de terroristische acties die de vorige nacht zijn gepleegd weer ongedaan moesten worden gemaakt.. „Wy seinen dat de boel hersteld wurde soe”, zegt Walinga, „mar wy ha it net dien. De ienichste kear dat wy in befel met opsetsin net utfierd hawwe.” „De trein koe ik maklik foarbliuwe, want hy hie mar in slakkegong. Tsien kilometer yn’e oere of sa. It ding wie in ridend angstkompleks. Om it hurdsje waard oan de stoomfluit lutsen, sa benaud wienen dy soldaten. In Duitser op in motor ried foarop by it spoar lans, om de rails te ynspektearjen.”

In de bocht lijkt de motorrijder even in te houden, maar hij rijdt verder. Op de hielen gevolgd door de locomotief, die een serie gesloten wagons trekt. Als de zoveelste fluit over de landerijen klinkt, zakt de kop van de loc naar beneden. De zware trekker slaat tegen de grond, de wagons meetrekkend. Walinga, die ruim een kilometer verderop zit, rekt zich uit om maar vooral niks van de ontploffing te missen. Maar die blijft uit. Niet lang echter: kennelijk heeft het verzet binnen de kortste keren het oprukkende bevrijdingsleger op de hoogte gebracht. Een uur later ziet Walinga hoe twee Engelse RAF-jagers uit de blauwe hemel naar beneden duiken. Drie keer scheren ze over de trein die al bij het eerste mitrailleursalvo in brand raakt. De Duitse soldaten zijn dan al verdwenen.

De knallen klinken Johannes Walinga als muziek in de oren. Wel een uur lang heeft hij op zijn stekkie bij die kapotte boerderij staan grijnzen en glimlachen, schat hij. Hij is trouwens niet de enige. Heel wat nieuwsgierigen uit de buurt horen het geknal van granaten en springstoffen. Pas na zes uur verstomt het geluid. De verantwoordelijke Wehrmachtofficier dreigt nog enkele boeren uit de omgeving te laten boeten voor de actie, maar hij bedenkt zich. In het rapport aan zijn superieuren meldt hij ‘baanverzakking door uitgesteld onderhoud’ als oorzaak van de ontsporing.

Verovering van de Blessebrug

Die middag lopen dertig mannen langs de oever van de Linde, in de richting van de Blessebrug. Het is de BS, Jeep Kroondijk voert de groep aan. De mannen hebben zich al een paar dagen schuil gehouden in een lege woning in de Lindevallei, een onherbergzaam gebied even ten noorden van Steggerda. De enige actie van de groep is totnogtoe het leggen van bandenbommen op de rijksweg geweest. Maar nu begint het grote werk. Koondijk en zijn mannen hebben de opdracht de Blesserbrug, die de rijksweg tussen Steenwijk en Wolvega verbindt ongeschonden in handen te krijgen.

De tocht gaat tot aan de spoorbrug. Die wordt niet bewaakt en geeft een goede dekking. De helft van de groep, onder wie een man met een bazooka, blijft achter. Kroondijk trekt met de andere helft in een omtrekkende beweging naar de andere kant van de rijksweg, om zo van twee zijden de aanval te kunnen openen. Maar bij daglicht gaat dat niet, zo ervaren ze spoedig. Het wemelt van de Duitsers op de brug. „Het zijn er te veel. Het is te gevaarlijk”, constateert Kroondijk. Liggend achter een polderdijkje besluiten de mannen het donker af te wachten. Enkel boerenzoons kennen het moerasgebied op hun duimpje. Tot aan hun knieën klotsen de mannen door de moerassige grond. Een goede dekking zoeken is, vooral als er straks geschoten wordt, zeer belangrijk. Immers, voor je het weet word je door eigen vuur van de andere kant getroffen. Om twee uur ’s nachts worden de eerste salvo’s op de brug afgevuurd. Maar … er wordt niet teruggeschoten. Voorzichtig kruipen de BS’ers naar voren. „Pas op, het kan een val zijn.” De spanning is te snijden. De verkenners van beide kanten maken contact met elkaar. De Duitsers zijn verdwenen. De gevreesde springladingen zijn ook nergens te bekennen, zo leert een korte inspectie al gauw. De brug is door de bezetters gewoon verlaten en valt zo zonder slag of stoot in geallieerde handen. Waarom de Duitsers de brug niet hebben laten springen blijft onduidelijk. Misschien was de constructie van de zware, vaste dikke betonnen brug te stevig. Zoiets blaas je niet zo maar even op met een beetje trotyl. De volgende morgen passeren de eerste Canadese voertuigen.

vrijdag 13 april

Appelscha bevrijd door Canadezen via brug Stokersvallaat. Wolvega bevrijd door Canadezen. Bij Oldeberkoop 10 gevangen genomen Landwachters en SS’ers zonder vorm van proces doodgeschoten door een Nederlander, met goedvinden van de Canadezen. BS bezet brug over de Linde ten zuiden van Wolvega; kort daarna passeert colonne Canadezen. BS van Ureterp neemt vier Duitsers gevangen. Canadese brenguncarriers bij Mildam. ‘Paps’ Vinke van BS-Heerenveen krijgt daar contact met Canadese troepen. Nachtelijk gevecht tussen Sneker BS en groep Duitse parachutisten langs straatweg naar Leeuwarden. Enkele Duitsers sneuvelen.

Duitsers blazen bij Lemmer vier bruggen op; plaats alleen nog via Noordoostpolder en Follega bereikbaar. Op vliegveld Leeuwarden laten Duitsers bunkers in de lucht vliegen en vernielen startbanen. Bouwe van Ens uit Nieuwehorne en Sijbren Sijtsma, gevangenen van de SD in Crackstate, bij Luinjeberd vermoord. Als waarnemend commissaris der koningin aangewezen mr. A.W. de Haan meldt mr. J. Algera dat hij burgemeester van Leeuwarden wordt.

Duits voedsel voor Garijpsters

In de nacht van donderdag op vrijdag 13 april besluit het grootste deel van de tweehonderd Duitsers in Garijp om verder te trekken. Zestig man blijven achter, met drie vrachtwagens en twee motoren. ’s Morgens parkeren de Duitsers de voertuigen in het centrum van het dorp, waar nu de gereformeerde kerk is. Ze sluiten de straat volledig af. De militairen besluiten hun voertuigen en munitie te vernietigen. Etenswaren delen ze uit. Harmen Benedictus is van de partij. „Dominee kreeg ook een kist mee. Een van de Duitsers riep hem terug, omdat dominee nogal met de kist sjouwde”. Het blijkt een kist met munitie te zijn. Deze wordt teruggevorderd, de dominee krijgt een andere, met eten. De kist met munitie wordt op de stapel gegooid.

Harmen Benedictus zit twintig meter verderop verscholen achter een ligusterhaag. Hij slaat het schouwspel gade. Vijftig jaar later zal hij zich afvragen hoe hij het in zijn hoofd kreeg om zo dichtbij te gaan zitten. De Duitsers steken het materieel en de munitie in brand. Snel volgen de explosies. „Jonge, de velgen van de motoren vlogen door de lucht, tot boven de kerktoren. Ik zie ze nog landen in de kastanjeboom van Dirk van der Meulen.” Een dag later geven de Duitsers zich over aan de Canadezen. In Garijp is de oorlog voorbij.

Ochtend in Makkum

Tymen van den Berg, de baas van de palingrokerij, keert op deze vrijdag terug in Makkum. Hij vraagt Sipke Horjus de ravage op te ruimen die de Duitsers een week eerder in het bedrijf hebben aangericht. Op de zolder vindt Horjus een kistje met koptelefoons, draden en een apparaat dat hij niet kan thuisbrengen. Hij neemt het kistje mee naar beneden. „Wat moeten we hiermee?”, vraagt hij en laat het aan Tymen zien. „Dat is een zender”, zegt Van den Berg. „Daar kun je Engeland mee opbellen”. „Mag ik hem houden?”, vraagt Sipke. Dat mag, en Sipke loopt ermee naar het huis van zijn ouders, dat pal naast de visfabriek staat. Zin vader wil er niet van weten. Zo’n apparaat in huis, stel je voor dat de Duitsers er achter komen.. Horjus gaat er mee terug naar Van den Berg. Misschien is het maar het beste het ding in het water te dumpen. Sipke neemt een hengel, stopt de zender in een aardappelzak en legt hem voor op de transportfiets. Hij rijdt de Brouwersstraat door, het hellinkje op naar de dijk. Daar wordt hij aangehouden door twee Duitsers, die willen weten wat hij gaat doen. Een van de twee knoopt een praatje aan. Hij houdt ook van vissen. Sipke kan doorfietsen.

Op de weg langs de dijk richting Idsegahuizum is het weer raak. Een auto stopt. Ditmaal zijn het SS’ers die Sipke staande houden. Ze laten hem een aantal namen zien. Kent hij deze personen soms? Sipke houdt zich van de domme. Een van de Duitsers wil een sigaret opsteken. Heeft de Hollander een vuurtje? Sipke geeft hem een doosje lucifers. De Duitser geeft hem ook een sigaret. Dan rijden ze verder.

Eindelijk. Ter hoogte van de derde lantaarnpaal buiten het dorp haalt Sipke het kistje van zijn bagagedrager. Hij gooit zijn hengel uit. Aas zit niet aan het haakje. Dan laat hij voorzichtig de kist te water. Het ding wil niet zinken. Sipke doet een klomp uit en zet zijn voet op het apparaat om het onder water te drukken. Een paar luchtbellen en het ding is onder water. Als hij zijn voet terugtrekt stopt er een auto achter hem. Sipke draait zich om. Het zin de Duitsers van daarnet. Een van de mannen stapt uit, loopt naar Sipke, geeft hem zijn doosje lucifers terug en een doosje waar nog twee sigaretten inzitten. Dan stapt hij weer in en de auto rijdt weg.

Evacuatie uit Tijnje

Site Veenstra en zijn vrouw Bet Veenstra-Adema uit Tijnje voelen zich op vrijdag, de dertiende niet meer veilig. Uit de richting Heerenveen horen ze gebulder. Hun boerderij, zo vlak bij de Warrenbrug in de weg van Tijnje naar Oldeboorn, zou bij de nadering van de Canadezen wel eens in de vuurlinie kunnen komen te liggen, zo vrezen ze. Ze hebben een zoontje van een paar jaar oud, Gerrit. De schippers Hamstra en Plantinga liggen met hun boten in de Hooivaart bij de boerderij. Een van hen zegt: „Jimme moatte meitsje dat jim fuortkomme.” Ze mogen wel meevaren naar de Ulesprong.

Ruim een kilometer van het huis bij de brug kiezen de schippers, met Site en vrouw en zoon aan boord een nieuwe ligplaats bij het sluisje in de Deel. Ze liggen daar mooi verscholen in de kom, die wordt gevormd door de terugwijkende polderdijk en het sluisje. Het lijkt een veilige plaats tegen rondvliegende kogels, mocht het bij de Warrenbrug tot een treffen komen. Dat gevaar lijkt Site niet denkbeeldig.

Dat er tien mangaten vanaf de brug richting Tijnje zijn gegraven wijst er al op de Duitsers de brug willen verdedigen. In de loop van de middag gaat Veenstra terug naar zijn huis, want de koeien moeten worden gemolken en verzorgd. Omdat hij de volgende ochtend weer moet, besluit hij na het melken die nacht thuis te blijven.

‘Ico von Schiko’

De Duitse eilandcommandant kapitein-luitenant Wittko van Schiermonnikoog, ook wel ‘Ico von Schiko’ genoemd, is woedend als de Duitse grenswachten van Oostmahorn op het eiland aankomen. De vluchtelingen vertellen dat ze geen tijd meer hebben gehad om papieren en voorraden te vernietigen. Wittko stuurt vijftien zwaar bewapende marinesoldaten met beurtschipper IJsjes Teerdstra naar Oostmahorn om dat klusje alsnog te klaren. De mariniers zullen pas de volgende dag terugkeren. Met een sleepbootje, de veerboot Brakzand en de reddingsboot Insulinde. Reddingsbootschipper Mees Toxopeus en zijn mannen hebben in Oostmahorn de motoren van de schepen onklaar gemaakt en zijn ondergedoken.

Geruchten in Ureterp

In Ureterp gonst het ’s middags van de geruchten. „De Kanadezen binne al yn Fryskepaellen.” Jacog ten Berge, lid van de BS, is de bevrijders in Siegerswoude tegengekomen en heeft met hen gesproken. De Canadezen zijn op verkenningstocht en gaan daarna weer terug naar Donkerbroek. De BS van Ureterp besluit dat de tijd om in actie te komen is aangebroken. Gewapende mannen in blauwe overalls en met oranjebanden om de arm nemen hun intrek in het café van Hedzer Gorter aan de Weibuorren.

De broers Foppe en Joop Veenstra, allebei schooljongens, hebben enkele van die mannen op de Skoalleane zien lopen en ze besluiten snel naar huis te gaan. Ze gaan binnendoor, op sokken. Hun ouders, Durk en Grytsje Veenstra, zijn blij dat de kinderen thuis zijn. Het wordt menens, denken ze. Tegen vijven vinden de eerste schermutselingen plaats. Een paardewagen passeert, waarop drie mannen en een vrouw zitten. De mannen worden herkend: landwachters. Enkele BS’ers willen de wagen aanhouden. Maar in plaats van te stoppen zet het gezelschap de sokken er in. BS-commandant Piet Lourens legt zijn geweer aan de schouder en schiet.

Foppe Veenstra ziet stofwolkjes bij de schoorsteen van de lagere school: Lourens heeft de dakpannen geraakt. Politieman Cornelis Trump , Tjitze de Roos en Gerben de Jong zetten dan op bevel van Lourens de achtervolging in. Bij het Ureterperverlaat liggen BS’ers uit Drachten in stelling. Daar worde de drie mannen en de vrouw gearresteerd, zij het niet zonder slag of stoot. Tjitze de Roos krijgt een kogel door zijn hand. Als het viertal is ingerekend komt er een vrouw aan. Het is Lies Atsma , koerierster met een grote staat van dienst in het verzet. Zij en Gerben de Jong kennen elkaar. Ze stellen vast dat de wapens van de aanwezige BS’ers te licht zijn. Maar Lies weet ergens een paar stenguns en haalt ze op.

Dan naderen enkele zwaarbewapende soldaten in Duits uniform. Ze hebben handgranaten aan hun koppel riem. De Jong en Tump overleggen kort. Tump beveelt de soldaten zich over te geven. Tot de verrassing van de BS’ers doen ze dat. Het blijken Oostenrijkers te zijn.

Andere BS’ers zijn intussen het dorp ingegaan om NSB’ers en andere collaborateurs op te halen. Uit voorzorg. Als het tot en serieus treffen komt met terugtrekkende Duitsers, zouden zij de vijand wel eens kunnen helpen, is de gedachte. Onder hen zijn ‘boerenleider’ Luite van der Meulen, een gevreesd man in de streek, en de NSB-burgemeester van Opsterland, Pieter Staal. De gevangenen worden bijeengebracht in de schuur achter café Gorter. Naderhand vinden de BS’ers die verzameling Duitsgezinden wel wat een risico. Al die mensen moeten ook worden bewaakt en dat verzwakt de groep.

De familie Veenstra woont vlakbij café Gorter. Foppe ziet het allemaal aan.. Hoewel het spannend is, besluiten zijn ouders ’s avonds toch te blijven en af te wachten. Als het donker is geworden, gaat de familie slapen. Foppe en Joop slapen beneden, hun moeder, hun broer Oebele en het dienstmeisje Maaike de Wit boven. Vader Durk besluit niet naar bed te gaan, maar gaat koffie zetten voor de jongens van de BS.

Middernacht. In Ureterp overlegt politieman Tump met commandant Lourens. Beiden zijn niet erg gerust. Een schuur vol gevangenen collaborateurs en de Canadezen zijn er nog niet. Tump biedt aan Canadese hulp te gaan halen uit Oostellingwerf. Lourens gaat akkoord. Om twee uur die nacht gaat hij op pad samen met P. Leenes, die Frans spreekt. Want er is immers kans dat ze een Franse parachutist tegenkomen. Iemand anders gaat bij de BS in Hemrik en Wijnjeterp versterking halen.

Laatste represaille

Rond twee uur ’s nachts komt in Bolsward de stroom vluchtende Duitsers weer op gang. Dan wordt het lijk van een gedode Duitse soldaat in een gestrande legerwagen gevonden. De man is ongeveer drie uur geleden het slachtoffer van een misverstand geworden. De vorige avond, tegen elven, is de Bolswarder BS onderweg gegaan om de Blauwpoortsbrug omhoog te draaien of onklaar te maken.

Met politiechef en verzetsman Arjen van der Hauw was afgesproken, dat er die avond geen politiemensen op straat zouden zijn. Toen een van de agenten zich rond middernacht toch even buiten heeft begeven, is hij op de Dijk op een gestrande Duitse legerwagen gestuit. De twee, onderofficieren van de Wehrmacht, hebben hem gevraagd waar zij een garage kunnen vinden. Op dat moment is een groepje BS’ers uit tegenovergestelde richting de straat in komen fietsen, waarna het tot een schietpartij is gekomen en een Duitser is getroffen. De ander heeft weten te ontkomen.

De in Sneek zetelende Ortskommandant Schneider verordonneert dat vier mannelijke bewoners van de straat waar de soldaat is gedood buiten de stad gefusilleerd moeten worden. Even later worden Jan de Koning (57), Jacobus de Koning (31), Ruurd Jorrisma (28), en de evacué Herman Hennekes (35), die bij Lambertus Zijsling onderdak heeft gevonden, van huis gehaald.

De Sneker NSB-burgemeester Schut is er getuige van. Schut en voormalig dominee, die in zijn haast om weg te komen in het Sneker gemeentehuis in de kelder van de centrale verwarming is gevallen en er danig gekreukeld weer is uitgehaald, zit in een Duits legervoertuig dat juist de Dijk passeert. Door de autoruiten ziet hij hoe de vier mannen, die niets met de schietpartij van doen hebben, door gewapende soldaten per auto de stad worden uitgevoerd.

Ter hoogte van het transformatorhuis bij Marnezijl stopt de legerwagen. Als de vier mannen zijn uitgestapt en naar het transformatorhuis worden gedirigeerd, zet Jorrisma het ineens op een lopen. Hij sprint naar de sloot, smijt zijn jas weg en springt in het koude water. De Duitsers reageren te laat en krijgen hem niet meer te pakken. De drie andere mannen worden even later neergeschoten. De volgende dag zal de Blaauwpoortsbrug toch onklaar worden gemaakt. De Duitsers blazen haar op.

Gevecht in het donker

Als in Bolsward de dode Duitse onderofficier wordt gevonden, is het in het noorden van Friesland aardedonker. Over de binnenweg van Brantgum naar Holwerd sluipen vier gewapende leden van de Binnenlandse Strijdkrachten. Een paar dagen daarvoor heeft de 24-jarige Klaas van Duinen de wapens van de zolder van de hervormde kerktoren gehaald. Ook dat ene graf op de begraafplaats waarin de in Aalsum gedropte munitie lag verborgen heeft zijn geheim prijs gegeven. Van Duinen:„In moai plakje, dat grêf. Ik wie de soan fan de grêfdolder. Dus foel it net op dat ik in protte op it hôf wie.”

De vier mannen praten weinig. Als er wat gezegd wordt, dan gaat het over de soldaten van de Duitse kustwacht in Holwerd. De informatie luidt dat de groep naar Leeuwarden wil vluchten. Van Duinen en zijn maten versperren de weg tussen Holwerd en Blija met een oude boerenwagen. Daarna duiken ze weg in de berm en maken hun gezichten zwart. Gerrit Brouwer uit Holwerd laat zijn pakje tabak rond gaan. De blikken van de vier gaan onophoudelijk richting Holwerd.

Plotseling worden ze opgeschrikt door stemgeluid van de andere kant. „Het binne Dutsers. Dekke”, waarschuwt Van Duinen. De Duitsers zien de barricade en openen het vuur. De vier Friezen vuren terug. Van Duinen: „Wy oan de iene kant fan de dyk, sy oan de oare kant. In meter of seis fan inoar ôf. Mar wy koene de mannen net sjen. Sa donker wie it.” De vijf of zes Duitsers, Van Duinen weet het nu nog niet precies, zijn verrast over zoveel weerstand en slaan op de vlucht.

Een handgranaat moet hun aftocht dekken. De granaat treft Brouwer die levensgevaarlijk gewond raakt. Van Duinen: „Ik wie noch gjin meter fan de man ôf. Wie de handgranaat tusken us beiden yn fallen, dan hie ik der ek net mear west. Want Brouwer is letter ferstoarn.” Van Duinen heeft aan de explosie van de handgranaat een beschadigd trommelvlies overgehouden. „It dôve ear fertelt my elke dei oer dy nacht tussen Holwert en Blija. In donkere nacht”, aldus de Bantgumer.

Dood door misverstand

Omstreeks drie uur ’s nachts zijn de Ureterpers Tump en Leenes doorgedrongen tot de streek

Haulerwijk en Haule. In het donker voor zich ontwaren ze twee naderende silhouetten. Een stem spreekt hen in het Frans aan. Tump is in zijn illegale werk gewend in het donker te zeggen dat hij van de politie is. Het heeft hem altijd geholpen. Nu niet meer. De Franse parachutist voor hem schiet onmiddellijk. Door het hoofd van Tump. Dodelijk getroffen valt de politieman neer. Zijn metgezel duikt het weiland in en zet het op een rennen naar een voor hem liggend stuk bos. Hij komt daar veilig aan en ontsnapt.

In Ureterp zelf kijken Grytsje Veentra e Maaike de Wit kort na vijven boven uit het slaapkamerraam. Ze ontwaren in het donker een wagen met paarden ervoor, die van de oostkant het dorp binnenkomt. Ook de BS’ers zien de wagen en fietsers die er achteraan komen. Piet Lourens roept de onbekenden toe te stoppen. Een geweersalvo is het antwoord. Het blijkt een troep van zo’n 45 bewapende Duitse soldaten te zijn. De BS’ers schieten terug. De Duitsers gaan in dekking achter de paarden die door het vuur van de BS zijn geraakt.

De Veenstra’s verschuilen zich zodra het schieten begint in de kelder. Iedereen is bang. Door het kelderraam kunnen ze naar buiten kijken. Ze zien niet veel, maar er wordt hevig geschoten. Er vallen doden en gewonden. Vier Duitse soldaten laten het leven, de BS-leden Aalzen de Jager (45), Jan L. van der Broek (40), Jan Welfing (24) uit Hemrik en J. Visser (25) uit Drachten sneuvelen eveneens. De twintigjarige Jacobus ten Berge heeft de pech, dat zijn geweer weigert als hij de Duitsers onder vuur wil nemen. Een Duitser krijgt hem te pakken en doodt hem met een nekschot. Dan ontploffen er Duitse granaten en worden pantservuisten afgeschoten. De BS wijkt terug voor zoveel geweld. De Veenstra’s horen Duitsers het huis binnenkomen. Ze besluiten eerst zich stil te houden, maar als er van boven wordt geschreeuwd of er ook mensen zijn, antwoordt vader Hoekstra: „Ja.” Foppe gaat voorop, zijn handen in de nek. De anderen volgen. Ze lopen achter elkaar naar buiten en worden op een rij tegen de muur geplaatst. De Duitsers hebben de geweren in de aanslag. Ze beschuldigen Durk Veenstra op hen te hebben geschoten. Veenstra ontkent. Hij heeft de schijn tegen, aangezien enkele BS’ers op zijn erf vanachter stropakken lagen te schieten. Hij wordt niet geloofd. De Duitse officier besluit de Veenstra’s dood te schieten.

Maar dan komt er een soldaat het erf oplopen, die zijn kameraden toeroept dat ze nieuwe paarden nodig hebben, want de Canadezen komen er aan. De man die hem nog net wilde doodschieten, stuurt Durk Veenstra er op uit om paarden te halen. Durk trekt Foppe mee, de Duitser laat hem begaan. De rest van de familie blijft achter als gijzelaar.

Op de Weibuorren zien ze de chaos. Dode paarden en gesneuvelde mannen; de gewonden kermen. De Duitser hebben de gevangenen collaborateurs bij Gorter vrijgelaten. Die zoeken samen met drie Duitsers een goed heenkomen. Durk brengt zijn zoon onder bij Antje Bron en vindt na veel moeite een paard bij Durk Nijboer. Hij legt uit wat er aan de hand is en mag het paard meenemen.

Als hij terugloopt naar Gorter naderen over de Mounleane zes Canadese gevechtswagens. De bevrijders zijn in de vroege zaterdagochtend aan hun opmars naar Dokkum begonnen, die oostelijk Friesland deze dag de bevrijding zal brengen. De Canadezen hebben het lawaai even tevoren in Ureterp gehoord en beginnen nog voor ze het dorp binnenrijden te schieten. Durk Veenstra is net bij café Gorter aangekomen. Hij laat het paard los en vlucht het weiland in. De Canadezen schieten op hem, maar zigzaggend weet hij weg te komen.

Grytsje Veenstra staat achter haar huis, met de Duitser bij zich. Hij dreigt haar dood te schieten, maar gaat er vandoor als de Canadezen verder doordringen in het dorp. Het vuurgevecht duurt circa tien minuten. Dan geven zesentwintig Duitse soldaten en vier landwachters zich over. De drie Duitse soldaten die met de bevrijde collaborateurs naar een boerderij zijn gegaan, worden ook gevangen genomen.

Korte tijd later breekt er bij het kerkhof, westelijk van het dorp, opnieuw een vuurgevecht uit. Daarbij komt een jonge Ureterper om het leven: Gerard Hempenius. De gesneuvelden worden van de weg gehaald. Dan blijkt dat niet iedereen zich even waardig heeft gedragen. Twee dagen lang zoekt de vriendin van de gesneuvelde BS’er Jan Welfing naar de verlovingsring die haar aanstaande droeg. Zonder resultaat.

Bange nacht in Crackstate

In deze nacht wordt er in Crackstate, het Heerenveense gemeentehuis dat dient als hoofdkwartier van de SD, niet geslapen. De cellen zijn koud en vochtig. Een brits met strozak en legerdeken, een bak water, en een emmer als toilet. Bonny Biersma en haar celgenoten zitten stil bij elkaar.

In doodsangst voor de SD. „Ga maar veel bidden, want morgen blazen we de hele zaak op”, heeft de Belgische SD’er Emil Steijlaerts hun toegesnauwd. Bidden is het enigste wat ze kunnen doen. Bonny Biersma is koerierster en is op 9 februari gearresteerd in de woning bij haar ouders in Wolvega. Met zes vrouwen heeft ze in een driepersoons cel gezeten. Twee zijn inmiddels vrijgelaten. De laatste vier proberen de moed er in te houden. Blijven hopen, elkaar troosten, vooral in de moeilijkste momenten wanneer het geschreeuw te horen is van de mannelijke gevangenen die worden gemarteld.

Maar de laatste dagen is de situatie ander. Bonny en haar celgenotes merken het aan de Belgische SD’ers, de Rexisten. Ze hebben het ook gezien. Door het piepkleine gaatje dat ze met een binnengesmokkeld schaartje in het kozijn van de cel hebben gemaakt. In het park naar Crackstate wemelt het van de Duitsers. Smerig, mager, in kapotte kleren, op oude fietsen of met boerenwagens en karren: een gehavend leger. De hele dag hebben de vrouwen gehoord hoe er beneden is gesleept met dozen en kisten. Munitie, heeft Emil Steylaerts gezegd, toen hij het avondeten bracht. „Alle munitie is in de hal gesleept. We verdedigen ons tot de laatste man en als het niet meer gaat is de laatste opdracht Crackstate de lucht in te laten vliegen.” De uren verstrijken. Langzaam wordt het licht. Het is zaterdag 14 april.

zaterdag 14 april

Piet Oberman, commandant van Friese sabotagegroepen, en Vinke wijzen Canadezen de weg naar noorden door oosten van Friesland. Politieman Cornelis Tump uit Ureterp, ’s nachts op weg naar Donkerbroek om snelle hulp van de Canadezen te halen, bij Haulerwijk doodgeschoten door Franse parachutist.

Aanval op Dokkumer Nieuwe Zijlen

Als het licht wordt, is het druk in de boerderij van Piebe Bakker aan de Wouddijk bij Kollumer Oudzijl De BS-groepen Munnekezijl/Burum, Zwagerveen en Oudwoude en de sabotagegroep Oost zitten teleurgesteld bijeen. Die nacht hebben de mannen geprobeerd de brug bij Dokkumer Nieuwe Zijlen te veroveren op het Duitsche detachement van de beruchte ‘commandant Platneus.’ De aanval is mislukt, maar gelukkig heeft iedereen het er heelhuids vanaf gebracht.

Tegen twee uur ’s nachts zijn ze onderweg gegaan. De groep Zwagerveen en de sabotagegroep zijn de brug van de zuidkant over de dijk genaderd, met de opdracht de brugwachterswoning met de Duitsers aan de voorkant binnen te vallen. De groepen Oudewoude en Munnikezijl/Burum zijn met een praam het Dokkumer Diep overgestoken, om het onderkomen van de Duitsers van achteren te kunnen binnendringen.

Even na tweeën is de praam vast komen te zitten in het eerste stuk van de tochtsloot. Een paar mannen zijn uit de boot gegaan en hebben hem weer losgetrokken. Alles moest doodstil gebeuren, zo’n honderd meter van de brug. Heel voorzichtig is de vaarboom steeds in het water gezet. Aardedonker wat het. Net was de overkant bereikt toen er stemmen op de brug klonken. Twee man zijn vooruit gegaan en teruggekomen met de mededeling dat er een paard en wagen op de noordkant van de brug stonden en dat Duitse soldaten er spullen oplaadden. Er kon dus geen sprake van zijn de Duitsers in hun slaap te verrassen. In groepjes van twee verspreid zijn ze tussen de huizen door naar de brugwachterswoning geslopen.

De zuidelijke groep was inmiddels aangekomen bij de oprit van de brug, waar een prikkel -draadversperring was aangebracht. Het geluid van laarzen van de wacht kwam dichterbij, ademloos lagen de mannen op de grond. Nadat de Duitser terug was gelopen, hebben de BS’ers zich door het prikkeldraad gewrongen en zijn ze in een verlaten mitrailleursnest gedoken.

Twee mannen zijn vooruitgegaan om de wacht onschadelijk te maken als hij terug zou komen. Opnieuw klonken er Duitse stemmen op de brug, maar de wacht is niet komen opdagen. Plotseling viel er een schot aan de noordkant van de sluizen. De Duitsers schreeuwden en een paar tellen later ratelden de Duitse mitrailleurs en knalden geweren.

De bren van de groep Zwagerbosch weigerde, maar de zuidelijke groep heeft de andere wapens in de richting van de brug leeggeschoten. Verzetsman Willem Hoekstra kreeg een kogel in zijn schouder. Het was niet duidelijk door wie hij was geraakt. „Ophouden met schieten”, is er toen geroepen. Het gevaar was te groot dat de eigen mensen zouden worden geraakt. De zuidelijke groep heeft daarop besloten zich terug te trekken, hoewel Duitse kogels nog op het wegdek ketsten.

Maar toen de Duitsers even de andere kant opschoten zijn de BS’ers door het prikkeldraad ontkomen. Hoekstra met een zakdoek om zijn bloedende arm. Luitjen Zuidersma en Karst Kuipers zaten in een schuttersputje aan de noordkant van de brug toen het eerste schot viel. Een van de verzetsmannen moet hebben geschoten toen een Duitse soldaat naar buiten kwam met een fiets aan de hand. Omdat tegen de Duitse kogelregen niets te ondernemen was, hebben Zuidersma en Kuipers zich met twee maten achter een dijkje teruggetrokken. Een uur lang zijn ze blijven liggen. Anderen van de groep zijn in een bootje het Dokkumer Diep overgestoken. Het bootje is geraakt, maar de mannen hebben zwemmend de wal weten te bereiken.

Een rijke buit

Het is zes uur. Luitjen Zuidersma heeft net droge kleren aangetrokken wanneer een Duitse auto van de kant van de Soensterdijk nadert. Iedereen rent met zijn wapen naar buiten. Als de auto dichtbij is, openen ze het vuur. De auto maakt een draai en er springen drie Duitse militairen uit. Ze zoeken dekking achter de dijk en schieten terug. De verzetsmannen trekken zich terug achter de boerderij van Bakker. Zuidersma heeft een handgranaat. Hij weet als oud militair hoe je daar mee om moet gaan en legt het uit aan de boomlange Okke Kerkstra uit Munnekezijl. Die gooit de granaat met een lange haal over de boerderij in de richting van de Duitsers. Als die proberen te vluchten, worden ze met de brengun bestookt. Twee Duitsers zijn direct dood, de derde tracht te ontkomen, maar Zuidersma raakt hem. De man is zwaar gewond aan de keel.

De mislukking van de afgelopen nacht is op slag vergeten. Even later nadert een tweede Duitse auto, een grote grijze. Met een paar schoten wordt de wagen tot stilstand gedwongen. De chauffeur en een gezette NSB’er in WA-uniform geven zich meteen over. Ze krijgen een plaatsje in de schuur bij de gewonde Duitser uit de eerste auto. In de auto vinden de verzetsmensen sigaren, sigaretten, flessen wijn, plakken chocolade en een pakket met ƒ 600.000 aan nieuwe bankbiljetten. Uit de papieren blijkt dat ze de auto in handen hebben van Beauftragte Ross uit Leeuwarden, de hoogste civiele Duitse bestuurder in Friesland. De mannen in de schuur van Bakker smullen van de chocolade en roken er lustig op los. Het geld zal na de bevrijding worden overgedragen aan de autoriteiten in Leeuwarden. De NSB’er heeft bij de aanhouding en beschieting van de auto kogels in een van zijn benen gekregen. Hij wordt op een handkar naar het lazaret in Kollum gebracht.

14 april

Bij Ureterp raakt BS in gevecht met groep Duitsers die uit zuidelijke richting nadert. Aaldert de Jager, Jan Lammert van der Broek, Jacobus ten Berge, Jan Visser en Jan Welfing sneuvelen, evenals zes Duitsers. Duitse ‘Grenzschutz’ verlaat Dokkum, Canadezen met Piet Oberman als gids bevrijden stad. In Dokkum drie aanhangers van Duitsers doodgeschoten na poging om gevangengenomen collega’s te bevrijden. Hierbij ook twee burgers dodelijk gewond.

Duitsers verdwijnen uit tot ‘open stad’ verklaard Leeuwarden Oud Burger Weeshuis in Leeuwarden, in gebruik bij Duitsers, door hen in brand gestoken. BS’er Jan Kruis sneuvelt op de Mobilisatieweg bij Terband na gevecht bij Hooibrug onder Haskerdijken. BS’er Sieger van der Laan sneuvelt, als gids en tolk voor de Canadezen, bij Tijnje. Hij wordt doodgeschoten door een Duitse officier die overgave voorwendt.

In Gorredijk sneuvelt Gerk Numan bij brug in gevecht met Duitsers. SD van Crackstate, verlaat Heerenveen. Gevangenen Crackstate vrijgelaten. Heerenveen is bevrijd. Gevechten tussen Canadezen en Duitsers in Tjalleberd. Canadezen trekken zich terug. Bruggen bij Haskerdijken, Oude Schouw, Oldeboorn en Fonejagtsbrug door Duitsers opgeblazen. Eerste Canadezen ’s avonds in Akkrum. Brug te Blauwverlaat door BS bezet; gevecht met Duitsers en hun handlangers. Canadezen uit Dokkum komen te hulp.

Bevrijd Crackstate

Als het ochtendlicht de cel in de Heerenveense SD-gevangenis Crackstate binnenvalt, is de eerste gedachte van de daar opgesloten vrouwen: “We hebben de nacht overleefd.” Koerierster Bonny Biersma en haar vijf celgenotes hebben een doorwaakte nacht achter zich. Wat zal er vandaag gebeuren, nu de Duitser vluchten en de Belgische Rexisten, hun bewakers, hebben gedreigd de gevangenis de lucht in te jagen? In de gevangenis is het nog stil. Er wordt niet gefloten voor het ontbijt, de celdeuren blijven dicht. Iedereen houdt de adem in. Negen uur. Een deur kraakt, een sleutelbos rammelt en de deur van de cel gaat knarsend open. „Klaarmaken!” het is De Mol, een van de Duitse bewakers. Een panische angst. Even later worden de vrouwen een voor een uit de cel gehaald.

In een roes loopt Bonny Biersma met de Duitser de koude trappen af naar de verhoorkamer. Er is geen mens te zien. Zwijgend trekt de SD-er een la open. Hij legt de spulletjes van Bonny op tafel en zij mag haar mantel aantrekken. „U bent vrij, U kunt gaan”, is de droge mededeling. Als in een droom wankelt Bonny naar buiten. Op straat weet ze nauwelijks waar ze is. Ze klampt nog een voorbijganger aan: „De vrouwen zijn er uit, maar de mannen zitten nog”. Bij de familie Van der Zwaag aan de Herenwal, kennissen van haar ouders, vindt ze onderdak.

Ymte Greydanus gedwongen reis

In Marrum staat op deze zaterdagmorgen de weg vol met wachtende paarden en wagens. Ymte Greydanus, 28 jaar, komt langs. Vijftien Duitse soldaten lopen zenuwachtig heen en weer. Ze willen weg maar moeten wachten op hun collega’s uit andere dorpen in noordoost Friesland. Ymte loopt door, twintig koeien wachten. „Wy reitsje der kreas foarwei”, zegt hij even later tegen zijn broer Gabe. De woorden zijn nog niet gevallen of twee Duitse soldaten komen de stal binnen. Ymte: „Twa hynders en ien man moasten fuortendaliks meikomme. No, Gabe hat in frou en bern, dus de keuze wie maklik”. De paarden worden voor een melkwagen gespannen die de dag tevoren uit Anjum is gekomen. Er staat een mitrailleur op.

Een beslissende dag

Zaterdag 14 april zal een beslissende dag worden. Overal in Friesland doen zich incidenten en schermutselingen voor, die het einde van de Duitse bezetting inluiden. Vanuit het zuiden bewegen de Canadezen zich naar het noorden en westen. Op verschillende plaatsen in het noorden en westen. Op schillende plaatsen in het noordoosten van de provincie komt het tot een treffen met Duitsers en collaborateurs, zoals bij Blauwverlaat. In Noordbergum vindt zelfs nog een schotenwisseling plaats als de eerste Canadese voertuigen al gepasseerd zijn. Maar tegen de avond zal Dokkum bevrijd zijn. In grote wanorde verlaten de Duitsers Leeuwarden. Het Paleis van Justitie en het Oud Burger Weeshuis branden als de laatste militairen koers zetten naar de Afsluitdijk. In het zuiden naderen de Canadezen Heerenveen, waar de laatste gevangenen de deur van Crackstate tegen de avond achter zich dicht gooien. Bij Tijnje sneuvelt verzetsman Sieger van der Laan.

14 april

Een paar uur later gaat de colonne op weg naar Harlingen. Ymte weet dan nog niet dat hij begint aan een reis die zes week zal duren. In Sint Annaparochie voegen Bildtse boeren en nog meer Duitsers zich bij de groep. Onderweg vallen veel paarden door kreupelheid uit. Het gemis van hoefijzers wreekt zich. De Duitsers doen er niet moeilijk over. Er zijn paarden genoeg in de weilanden of op de boerderijen. In Harlingen worden paarden en voerlieden in een loods bij het station ondergebracht. Van slapen komt niet veel, want de dieren zijn onrustig in dit vreemde verblijf.

De volgende morgen zal Ymte tevergeefs proberen te ontvluchten. De man met de ‘schöne Pferde’ wordt te goed in de gaten gehouden. „Ik moast mei de Ofsludyk oer. Hûndert meter tusken eltse wein. It wie net sûnder gefaar. Lokkich wie it dizich en foelen wy net sa bot op. Mar it bolderde wol de hiele dei. Op Teksel waard sketten mei swier geskut”. In Wieringerwaard, de tweede pleisterplaats, ontmoet Ymte de maandag daarop zijn beide broers, die in de Wieringermeerpolder wonen. Jentsje en Auke hebben gehoord dat bij de Friese colonne ook mensen uit Marrum zijn. Tot hun verrassing treffen zij hun broer aan. Dinsdags wordt de colonne beschoten door Engelse jagers, maar er vallen geen slachtoffers. Een houtwerf in Schagen is de derde overnachtingplaats. Pas als een van de bruine bovenlanders een ijzer blijkt te hebben verloren, zal Ymte er in slagen te ontsnappen. De smid die Ymte opzoekt wil de Marrumer eerst niet helpen. „De man tocht dat ik frijwillich meigien wie”. De smid vraagt waar Ymte’s tweede paard is. ’Daar in de loods’, klinkt het antwoord.

Ophalen luidt de boodschap. De wacht gelooft het verhaal dat ook deze bruine een los ijzer heeft. De paarden worden beslagen en dan maakt de smid Ymte en zijn maat Frits Jensma duidelijk dat ze’ niet terug moeten gaan’ maar die man daar verderop moeten volgen. Ymte: „Ik waard fuorman ôf. Ik wie no ûnderdûker”. De twee komen op de boerderij van Gert Dekker. Ze helpen de boer met melken en ander werk. In Schagen zal Ymte ook de bevrijding meemaken.. Een paar dagen later zal Ymte ineens ook nog een man met geld zijn. Onder de Duitsers die worden afgevoerd naar Den Helder treft hij een militair die ook met de colonne uit Marrum is gekomen. „De man hie noch jild yn’e bûse foar in swarthanneler yn Marrum. Oft ik dat jild wol meinimme woe. No graach, mar de hanneler moat dy ƒ 300 noch hawwe”. Een paar dagen na de bevrijding gaan Ymte en Jensma op weg naar Amsterdam. Het plan om met een boot van de rederij Stânfries naar Lemmer te varen gaat niet door. De paarden kunnen niet aan boord komen. Een lange terugreis over Utrecht en de Veluwe volgt. Pas na zes weken zijn Ymte en Jensma terug in Friesland. Bij Huijm ziet Ymte dorpsgenoot Jelle Zoodsma. Die maakt op pinkstermaandag een uitstapje met de paardewagen van dokter Dijkstra. ­„Jelle seit neat mar jaget as de reek nei Marrum. Want eltsenien tocht dat Ymte dea wie. By de brêge in Marrum is dy moandei op’e nij feest. Ymte dochs werom, wa hie dat tocht”.
Driekleur op de Dokkumer Nieuwe Zijlen

Tegen de tijd dat Ymte Greydanus met zijn paarden wordt gevorderd, horen de verzetsgroepen die in de nacht hebben geprobeerd Dokkumer Nieuwe Zijlen te veroveren, dat de Duitser hun onderkomen bij de brug hebben verlaten. Verkenners komen al snel terug: bij de sluizen is geen Duitser meer te zien. De BS-groep uit Oudwoude blijft bij de boerderij, om mogelijk colonnes Duitsers tegen te houden. De rest van de groep gaat over de Soensterdijk naar Dokkumer Nieuwe Zijlen om daar de Nederlandse vlag te plaatsen. Onderweg wordt een Duitse vrachtwagen tot stoppen gedwongen en geven een Duitser en een landwachter zich over. In de verte klinken weer schoten van de plaats waar de groep Oudwoude is achtergebleven.

De BS’ers keren terug en zien dat hun maten in gevecht zijn met zes Duitsers, die in een legervoertuig zijn komen aanrijden. Ze geven zich over als ze van twee kanten worden aangevallen. Besloten wordt op weg naar Dokkumer Nieuwe Zijlen een verzetsgroep achter te laten op de kruising Kollum, Dokkumer Nieuwe Zijlen en Kollumerpomp. Om half één wappert de Nederlandse vlag op Dokkumer Nieuwe Zijlen. Een groepje blijft achter om de brug en sluizen te bewaken. De meeste mannen gaan terug naar de hoek van de Soensterdijk, waar ze uit Groningen vluchtende vijanden verwachten. De eerder achtergebleven groep heeft op de Soensterdijk dan al felle gevechten geleverd met Duitsers. Rond het middaguur is er een autobus vol met Duitsers verschenen. Na de eerste schotenwisseling wilde een aantal Duitsers zich overgeven. De BS-groep dacht dat de strijd gestreden was, toen Pieter Postma alsnog werd geraakt. Woedend heeft de groep de Duitsers weer onder vuur genomen. De bus is aan flarden geschoten en zeker vijf Duitsers zijn doodgeschoten. Postma was nog bij kennis toen hij naar een boerderij werd gebracht. Daar is hij overleden.

Het blijft de hele dag spannend op de Soensterdijk. Vijftien landwachters op fietsen worden ontvangen met een kogelregen. Een gewonde die nog zijn geweer wil grijpen wordt doodgeschoten. De anderen worden afgevoerd. Tegen zevenen mogen de meeste bewakers van de Soensterdijk terug naar Dokkumer Nieuwe Zijlen om uit te rusten van zeventien uren strijd.

14 april

Beruchte NSB’er Pier Nobach, gevangengenomen bij Augustinusga door Binnenlandse Strijdkrachten, naar Drachten overgebracht. Laatste Duitsers vertrekken uit Oostmahorn naar Schiermonnikoog. Daar arriveren ook SS’ers en SD’ers van het Scholtenshuis uit Groningen.

Leden BS nemen Oostmahorn over.

BS van Kollumerland krijgt opdracht voor aanval op Duitsers in Dokkumer Nieuwe Zijlen om vernieling sluis te voorkomen. Aanval slaagt niet. Op Soensterdijk, tussen Dokkumer Nieuwe Zijlen en Kollumerpomp gevecht tussen BS’ers en Duitsers: twee Duitsers sneuvelen, derde geeft zich over. Auto van ‘Beauftragte’ Werner Ross met ƒ 600.00, rookwaren en drank op Soensterdijk gepakt. Opnieuw aanval van BS op Dokkumer Nieuwe Zijlen. Twee Duitsers sneuvelen, tien geven zich over. Op Soensterdijk wordt BS’er Pieter Postma in vuurgevecht dodelijk gewond. Hij overlijdt de volgende dag. BS’er Gerrit Brouwer sneuvelt in gevecht met Duitsers.

Slag bij de Warrenbrug

Site Veenstra uit Tijnje is bijna klaar met zijn ochtendwerk, als hij zaterdagmorgen over de polderdijk langs de Hooivaart, vanuit de richting van café Beetstra, een colonne brenguncarriers en gevechtswagens ziet naderen. ‘Dat binne de Kanadezen’, realiseert hij zich met een schok van vreugde. Maar in de mangaten langs de weg naar Tijnje ligt nog een groepje Duitse soldaten.

De Canadezen komen uit de buurt van Heerenveen. Bij Haskerdijken zijn ze op flinke Duitse tegenstand gestuit en ze hebben besloten in oostelijke richting een brug over de Hooivaart te zoeken. De commandant van een van de Heerenveense BS-secties, Sieger van der Laan, heeft zijn diensten als gids aangeboden. Noordelijk van Tjalleberd en Gersloot gaan de Canadese voertuigen naar het café van Durk Beetstra. Daar steken ze de Hooivaart over en rijden verder naar de Warrenbrug. Voor de boerderij van Site Veenstra, die inmiddels vrouw en kind in veiligheid weet, houden ze stil. Ze merken dat er Duitsers in de mangaten zitten en openen het vuur. Ze houden op met schieten als er in de voorste mangaten met een witte lap wordt gezwaaid. De Canadezen overleggen met Van der Laan. Deze biedt aan naar de Duitsers toe te gaan om hen tot overgave te bewegen. Site Veenstra maakt op enige afstand uit de discussie op dat de Canadezen de BS’er ervan proberen te weerhouden dat te doen, maar hij gaat toch. Van der Laan loopt de Duitsers tegemoet. De eerste Duitser met wie hij spreekt, laat hem doorlopen. Ook de tweede doet dat. De derde is de commandant van de groep. Hij praat met Van der Laan. De Canadezen, die het tafereel met hun kijkers volgen, zien hoe de Duitse commandant opeens zijn wapen trekt en Van der Laan doodschiet.

De lezingen over wat er dan gebeurt verschillen. De sectiecommandant van de BS Wolvega meldt later in een verslag: „De sectiecommandant bleef even met hem staan praten. Plotseling moest hij op last van de mof in de houding gaan staan, terwijl die onmiddellijk zijn pistool trok en Van der Laan zonder meer neerschoot. Het spreekt vanzelf dat toen de Canadezen met hun tanks alles wat naar Moffen rook volkomen en radicaal hebben uitgeroeid”. De Canadezen beginnen van twee kanten met hun beschietingen van de Warrenbrug en van de P.G. Otterweg onder Gersloot, vlakbij de molen. Het wordt een langdurige beschieting, die tot in de verre omtrek te horen is. De mensen in Tijnje, Akkrum en Aldeboarn realiseren zich dat hun bevrijding nabij is.

In Tijnje vergeet een deel van de bevolking alle voorzichtigheid. Tientallen inwoners, jong en oud, spoeden zich op fietsen en autopeds over Gersloot – Oudeweg naar de schietende Canadese tanks bij de molen. De Canadese militairen zijn geroerd door het enthousiasme van hun onverwachte gasten, aan de andere kant hebben ze al die mensen liever niet in de nabijheid. Ze duwen de enthousiaste Tijnsters zo veel mogelijk in de onderkant van de berm en achter hun materieel en zetten de beschieting voort.

De Duitsers verschuilen zich in de mangaten en zijn, zo lijkt het wel, onkwetsbaar. In een pauze tijdens de beschietingen glipt Site Veenstra achter de Canadese voertuigen langs over de weg naar de polderdijk en sluipt daar achterlangs naar de Ulesprong, naar zijn vrouw en kind. Onderweg ontwaart hij Jochem Hylkema van de Ulesprong, die in het gras ligt te kijken naar het gevecht. Jochem die de Duitsers ziet schieten, waarschuwt zijn dorpsgenoot net op tijd. Veenstra laat zich vallen, de kogels fluiten rakelings over zijn hoofd. Hij is ongedeerd, maar hij zal deze avond zijn koeien niet melken. In de loop van de middag staken de Canadezen de beschieting. De Duitsers maken zich uit de voeten. Omwonenden ontfermen zich dan over de dode Sieger van der Laan.

Crackstate ontruimt

Het dreunen van de beschietingen bij Tijnje is in de cellen van Crackstate, waar de mannen nog gevangen zitten, te horen. Rond de gevangenis is het rustig, maar van de burgers durft niemand naar binnen. Wel kan er worden gesproken met mannen in een cel zonder glas in het raampje. Rond half drie hakt bakker Gerlof de Wolf de knoop door. Samen met zijn zestienjarige knecht Hendrik Kooij gaat hij naar binnen. Voorzichtig lopen ze eerst twee keer voor het gebouw heen en weer. Reageren de Duitsers? Wordt er geschoten? Het blijft stil. Langzaam duwen ze de zware deur open. De sleutels liggen op een tafel, onder een handdoek. De Wolf raapt ze voorzichtig op. De eerste de beste past in de zware deur van het voorportaal. Een ijzeren hekdeur volgt. Je kunt nu de gevangenen in hun cellen horen praten. Henk raakt in paniek. „Baas, ik hoor Duits spreken. Ik doe het niet. Ik ga terug”. Het is vals alarm. Iemand met een Duitse tongval zit ergens achter een deur.

De Wolf draait uit voorzorg de grote voordeur van de gevangenis op slot. „Nu zo vlug mogelijk. Eerst naar boven, naar de verste cel van de mannen met de kapotte ruit”. Uit de cellen wordt al geroepen. De eerste deur gaat open, daarna de volgende. En de volgende. Handen worden geschud, er wordt op schouders geslagen. Maar er moet snel gehandeld worden. Een van de gevangenen weet dat de sleutels genummerd zijn. Hij gaat er mee langs de cellen. Sommige gevangenen kunnen hun geduld niet bewaren en beginnen in hun cel te schreeuwen en tegen de deur te trappen. De Wolf maant hen tot kalmte. „Je speelt met je leven. We gaan allemaal, maar hou je kalm. De Duitsers zijn nog in Heerenveen en de Canadezen komen van alle kanten". De Wolf vliegt naar beneden met de sleutel van de voordeur. „We gaan allemaal of er gaat geen”, zo houdt hij de wachtende mannen voor. Intussen stromen de cellen leeg. Wie er het eerst uit is heeft nog tijd om wat persoonlijke spullen bij elkaar te graaien.

De deur zwaait open en Henk Kooij kijkt of de kust veilig is. In looppas gaan de bakker en zijn knecht en zestig gevangenen door het park naar de bakkerij. Overal in de omgeving worden de mannen opgevangen en verborgen gehouden tot de volgende dag Heerenveen echt bevrijd is.

BS’ers gedood in Noordbergum

De verzetsgroep Noordbergum/Hardegarijp is in actie gekomen. Eindelijk. De hele dag hebben de mannen zich zitten verbijten. Vroeg in de morgen is er nog een groepje van veertig SD’ers neergestreken in de boerderij van Kees Oostenbrug aan de Groningerstraatweg in Noordbergum. Pas tegen vijf uur zijn ze verdwenen en kunnen de ploegen onder leiding van Wim van Oosten hun wapens en munitie, die onder de vloer van de kamer liggen, verzamelen. De sectie moet het pompstation van de waterleiding een paar honderd meter verderop verdedigen. De Duitsers zouden eens op het idee kunnen komen het op te blazen. De mannen zijn druk bezig met het verplaatsen van het wapentuig als Teade Kingma uit Hardegarijp aankomt met Wiebe Westra. Kingma wordt opgenomen in de ploeg. De verzetsgroep weet van zijn nuttige werk als vervalser van persoonsbewijzen en er zijn goede bekenden van Kingma bij, zoals Jappie Admiraal. Kingma fietst al snel heen en weer met wapens. Hij ziet ook net de mannen terugkomen uit het bos bij Noordbergum. Zij hebben een Duitse fiets bij zich.

Het is in het bos tot een treffen gekomen met commandant Gustav Hunze van de Luftwaffepost. De onderofficier, die geweigerd heeft zich over te geven, is in het gevecht doodgeschoten. Een uur eerder, tegen zessen zijn de Canadezen met verzetsleider Piet Oberman al door Noordbergum gereden. Op de kruising Quatrebras is het nog tot een treffen tussen Canadezen en Duitsers gekomen, waarbij twee Duitse auto’s in brand zijn geschoten. Ook café Yntema op Quatrebras is in brand gevlogen. De Canadezen zijn verder gereden naar Dokkum.

Ten noorden van Sneek gevecht tussen BS en Duitse parachutisten, Duitsers hebben doden en gewonden; BS moet terugtrekken nadat Duitsers versterking hebben gekregen.

BS schiet Duitser in Bolsward dood.

Als represaille worden bij Hollandiafabriek drie Nederlanders gefusilleerd: Jan Rimmer de Koning, Jacobus de Koning en Herman Hennekes.

In Noordbergum sneuvelen BS’ers Evert Sijbesma en Jalling Talma: beschoten door langstrekkende Duitsers.

Bevolking begint plundering van vliegveld Leeuwarden.

Duitsers trekken weg uit Het Bildt.

In Twijzelerheide en Zwaagwesteinde twee landwachters door bevolking omgebracht.

Dokkum bevrijd

Dokkum heeft enige uren van spanning achter de rug. In de loop van de middag is het gerucht gegaan dat Duitse militairen uit Holwerd zouden optrekken naar Dokkum. Om vijf uur nieuwe geruchten. Om zes uur opnieuw. Maar steeds geen Canadezen. Maar eindelijk, om zeven uur, klinkt het door de straten: “Ze staan op de Bronlaan!” In de binnenstad horen de Dokkumers brullende motoren, het geratel van kettingen en ijzer, tanks afgeladen met dolenthousiaste Dokkumers, ratelen over de Zijl. Mensen vormen een erehaag.

Max Posthuma loopt achter de tanks aan, de Grote Breedstraat op en dan naar de markt. Op het oude kerkhof, zoals veel Dokkumers toen de Markt noemden, maken de tanks een ereronde. De straatkeien vliegen in het rond. De witte gezichten van de Dokkumers steken sterk af tegen de gebruinde koppen van de Canadezen en de kleuren van vlaggen en wimpels. De emoties komen los, het Wilhelmus klinkt. Dokkum is bevrijd.

Die morgen heeft de achttienjarige Max, die verscholen heeft gezeten in het ouderlijk huis, in de buurt van het spoorstation bij de Aalsumerpoort, gezien hoe soldaten van de Grenzschütz een motorfiets verbrandden, Kort daarna hebben de soldaten allerlei spullen in het spoordok naast de rails gegooid. Alles wees op een overhaaste vlucht. Een paar honderd meter verderop aan de Hantumerweg is een woning ontruimd: de Duitse bewoners zijn op weg gegaan naar Holwerd. Volgens de verhalen zou daar een trein staan die Duitsers en landwachters naar Leeuwarden moest brengen.

Daarna moest de jonge Max de stad in. Hij is door de vele steegjes geslopen die Dokkum rijk is. Op de Koornmarkt heeft bakkervrouw Ganzinga hem nog gewaarschuwd om vooral niet verder te gaan: „Veul te gevaarlijk, jong. Hoor mar, se skiete nog”. Later op de dag heeft hij het echte verhaal gehoord. Landwachters die vanuit hun stamcafé De Benthem op de Diepswal –de latere Batawinkel- naar Holwerd wilden, waren bij Raard op verzet gestuit. Ze zijn daarna met een auto naar Dokkum teruggekeerd, waar ze op de Altenastreek kruidenier Alle Pranger in de hiel hebben geschoten. Pranger was zodanig gewond dat hij niet mee kon op de auto als dekking. Even verderop hebben de landwachters de jeugdige Piet Eekhof en de veel oudere Oege Monsma uit Broeksterwoude opgepakt. Monsma wilde een bezoek brengen aan zijn zoon in Dokkum: dat was zijn dagelijkse fietstocht. De twee zijn op de bumpers van de auto gezet als schild voor de vluchtende landwachters. Op de Woudspoortbrug is de auto door verzetsmensen die onder een treinstel in dekking lagen onder vuur genomen. Piet Eekhof werd dodelijk getroffen, Monsma is later aan zijn verwondingen bezweken. De auto was geheel vernield en de landwachters zijn Dokkum ingevlucht. Kort daarna zijn ze gepakt..‘Well done’

Aan de Brêgeloane bij Augustinusga verzamelen zich in de vroege morgen ongeveer tachtig mannen. De meeste hebben geen enkele militaire ervaring. Ze weten van elkaar niet eens wie er allemaal lid zijn. Harm Bouwman: „It wie in grutte ferrassing wa’t der dy moarns allegearre wiene. Sa fan: hea, bisto hjir ek? In protte jonges, hiene net lens yn it leger west. Sy wisten van toetsjen noch blazen. It wie in gaos”.

De ondergrondse van Achtkarspelen heeft opdracht de drie bruggen over het Kolonelsdiep (het huidige Prinses Margrietkanaal, red) in Kloostertille, Stroobos en Augustinusga veilig te stellen. De Duitsers mogen Blauwverlaat in geen geval laten springen. De Canadezen, zo gaat het verhaal, zijn al in Drachten en kunnen elk moment op Blauwverlaat arriveren.

In kleine groepjes zijn de BS’ers de afgelopen weken in verschillende boerderijen bijeen geweest voor wapeninstructie. De rondreizende commando Niek de Koning, alias De Wolf, alias Prins, die achter de Duitse linies is gedropt om het verzet beter op poten te zetten, heeft hen enigszins vertrouwd gemaakt met pistool, brengun, bazooka, stengun en geweer. Maar echt geoefend is er niet.

Op het uur U is de spanning te snijden. „Dat is net te beskriuw. It ûnbekende makke eltsenien deabenaud”, verhaalt Jan Sevinga uit Beetsterzwaag. Een handjevol vrijwilligers wordt de brug opgestuurd om de schildwacht uit te schakelen. Twee mannen lopen op de Duitser af, met een sigaret in de mond. „Ha jo ek fjoer?” Met een „Jawohl” steekt het slachtoffer zijn handen in zijn zakken, zoekend naar lucifers. Hij wordt onmiddellijk overmeesterd.

Bijna gelijktijdig valt Harm Bouwman uit Twijzel met enkele andere BS’ers het café Blauforlaet onder de brug binnen. „Troch it bûthûs nei foaren. Ik wist it paad”, vertelt hij. Binnen ligt een soldaat van de Wehrmacht op een bed, een andere zit op een stoel. Die laatste is dolblij met de overval. „Hy sloech my op ‘e skouders en raasde: ‘Ich bin Pole, ich bin Pole!’ Hy wie sa blijd dat de oarloch foar him oer wie”.

Dat het moreel van de vijand is aangetast zal ook later op de dag blijken. De brug wordt opgehaald voor zuidelijke dekking en bijna zorgeloos blijven de gelegenheidssoldaten op hun post. In Stroobos liggen op dat moment meer dan vijftig schepen met aan boord een groot aantal Duitsers, voor wie de opgedraaide brug in de verte het sein is dat er iets loos is op Blauwverlaat.

Doordat de sluis bij Gaarkeuken is gebombardeerd, kunnen de Duitsers niet meer voor- of achteruit. Ze kiezen daarom meteen de aanval. Een sleep, met voor op de Hunze III, stevent af op de brug. Aan boord is een flink aantal militairen dat het vuur op Blauwverlaat opent. „Guon fan ûs jonges kearde it hert om. Sy skeaten as wylden om har hinne, sûnder eat te reitsjen”, vertelt Sevinga. De lopen van de stenguns worden gloeiend heet en de amateursoldaten raken binnen de kortste keren bijna door de volledige munitievoorraad heen. „At de Dûtsers doe trochsetten hiene, hie it need gongen.”

Zo ver komt het niet, want de BS zet het zwaarste wapen in, een bazooka. Het anti-tankwapen wordt in stelling gebracht en kort na elkaar vliegen twee projectielen richting sleep. Plons, in het water, plons in het riet, beide keren mis dus. Maar de derde maal is het raak: een voltreffer. „Bam! Dat wie foar ûs it ferlossingskot. It lûd fan de befrijing”, vertolkt Bouwman zijn emoties.

De soldaten op de Hunze III springen in paniek van boord. Hun verzet is grotendeels gebroken. Sevinga: „De Dûtsers wisten doe: der is swier geskut op de brêge. Der kinne wy net tsjin op.” De Duitse militairen vluchten de kant op van de Dykhusterwei. Van achter een mesthoop zien de mannen van de BS het troepje schietend op zich afkomen. „Almeast Poalen. Dy woene leaver net fjochtsje. Mar de kommandant wie in jonge Dûtse offisier, in fûle rakker. Dy is der troch ien fan ûs bêste skutters, Djoert Schuilenga uit Surhûsterfean, tuskenút poft. Dêrnei joegen dy oaren har oer”, aldus Sevinga.

Meer over de familie Schuilenga, Klik hier!

De sleep, geladen met olievaten, brandt als een fakkel. Aan boord vinden de mannen van de ondergrondse een gewonde jonge Tsjechische soldaat. Ze brengen hem naar het café en proberen hem op te lappen, maar het is te laat: de Tsjech overlijdt. Aan het eind van de dag zijn in een loods bij de brug meer dan vijftig krijgsgevangenen bijeengedreven. Aan de kant van de BS is geen enkel dodelijk slachtoffer gevallen. „In grut wûnder”, beseffen de veteranen.

Pas in de ochtend van zondag 15 april zullen de geallieerden bij Blauwverlaat arriveren. Rond elf uur scheurt dan een Limburgse pastoor, die als evacué in Friesland is, op de fiets door Augustinusga. „De Canadezen komen, de Canadezen komen er aan”, schreeuwt hij dol van vreugde tegen het kerkvolk in het dorp. De commandant van de gevechtswagens neemt de situatie bij de brug in ogenschouw.
„Well done boys”, zegt hij tegen de BS’ers.

Irnsum in gevaar

Irnsum is ’s ochtends om zeven uur opgeschrikt door een zware explosie. Duitse militairen hebben de brug bij Oudeschouw opgeblazen. Een half uur later zijn ook de brug bij de Boorn in de weg van Irnsum naar Grouw en de spoorbrug bij Grouw de lucht ingegaan. Arjen Schouwstra , die de nacht in een hol in een plaggenhoop achter in het land van zijn vader heeft doorgebracht, heeft het dreunen gehoord.

De bruggen zijn zo vernield, dat er geen auto’s meer over kunnen. Maar ze kunnen ook niet meer opengedraaid worden. Schepen kunnen er dus evenmin langs. In de omgeving van Irnsum liggen zo’n 800 Duitse soldaten.

In de loop van de ochtend groeit het besef onder de Inrsummers dat ze in een gevaarlijke situatie zijn beland. In de Boorn, aan de rand van het dorp, ligt een groot Duits schip met munitie. Dat is ‘s nachts aangekomen en de schipper is van plan komende nacht de tocht naar Lemmer en zoverder naar Holland voort te zetten.

In de loop van de ochtend wordt het gebulder van de vuurgevechten bij Haskerdijken hoorbaar. Een tijdje later klinkt geknetter bij de Warrebrug. De Duitsers aan boord van het munitieschip weten het: de Canadezen komen eraan. Ze doen dan ook hun uiterste best de vaarweg bij Oudeschouw vrij te maken. Er zit niets anders op dan de brug van Oudeschouw, waar geen auto’s meer over kunnen rijden maar die ook niet meer open kan, helemaal op te blazen. Springstof genoeg. Irnsum wordt voortdurend opgeschrikt door zware explosies. Uiteindelijk lukt het de Duitsers de doorgang vrij te maken. De hele brug is er dan aangegaan. Tegen de avond vertrekt het munitieschip. De Duitse soldaten die in Irnsum gelegerd zijn gaan er eveneens vandoor.

Uittocht uit Leeuwarden

In Leeuwarden verlaat de SD het hoofdkwartier. Sturmbahnführer Albrecht en zijn handlangers verbranden de papieren en hun stempels, pakken hun kantoorgerei in en vorderen auto’s en benzine voor een aftocht naar de Afsluitdijk. Hun gangen zijn al enkele weken minutieus nagegaan door de luisterpost in boekhandel Carel Wielenga in de Nieuwe Oosterstraat. Verzetslieden van de PTT hebben een complete installatie aangelegd. Vijf mannen hebben beurtelings alle gesprekken genoteerd.

Als de Duitsers het postkantoor aan de Tweebaksmarkt willen ‘sprengen’, ontdekken ze dat de van tevoren aangebrachte blokjes trotyl verdwenen zijn. „Scheisse, Donnerwetter, Verdammt nochmal.” Twee dagen eerder hebben de ondergedoken PTT’ers Jan Roukema en Theo Bosman 35 kilo springstof ongezien langs de Duitse wacht gesmokkeld. De 72 blokjes trotyl die de Duitsers in de kelder van het postkantoor hebben aangebracht zijn nagemaakt en omgewisseld door blokjes hout met daarin gesmolten lood. Tijd om nieuwe springstof te halen is er niet meer voor de vertrekkende soldaten.

Om zeven uur ’s avonds is er groot alarm in Leeuwarden. De klokken van de Oldenhove luiden vijf minuten aaneen. Iedereen moet binnen blijven. De Duitse troepen verlaten Leeuwarden. In het Paleis van Justitie wordt brand gesticht, maar die kan bijtijds geblust worden. Het Old Burger Weeshuis, dat aan het Zaailand stond op de plek waar anno 1995 de Waterleiding zetelt, wordt eveneens door de Duitsers in brand gestoken. De brand wordt gevoed door de hoog opgetaste papierwinkel van de bezetter. Ook de beheerder van het NSB-hoofdkwartier aan de Emmakade beseft dat het einde nabij is. Hij blijft de hele nacht in de weer om zijn archief te vernietigen. Om negen uur ’s avonds wordt de telefoon in het Burmaniahuis niet meer opgenomen. De SD is weg.

De BS is in opperste staat van paraatheid.

Bij Van Duysens fabriek aan de Oldegalileeën arriveert net voor het groot alarm nog een transport met 150 wapens. Die worden in bakfietsen overgeladen en in vliegende vaart naar de VS Pepermuntfabriek aan de Emmakade gebracht. In totaal beschikken de driehonderd verzetsmensen in Leeuwarden dan over 350 vuurwapens. Als de nacht valt houden de BS’ers zich gereed. Overalls, armbanden en wapens liggen klaar. In kleine groepjes, in de Pepermuntfabriek, in de Pelikaankerk en in particuliere huizen wachten de mannen op hun orders.

In het pand van Fahner aan de Wirdumerdijk is het hoofdkwartier van de BS-districtscommandant Edske Wiersma. Aanwezig zijn verder drie man, onder wie Max van der Kam en Gosse Visser. Omdat de telefoon niet werkt en er nodig contact gelegd moet worden met Districtsoperatieleider E. Wassenaar in de Grote Kerkstraat, gaat Gosse Visser op weg. Het is een gevaarlijke missie, omdat er nog veel Duitsers in de stad zijn, die hun biezen pakken. Het kost Gosse Visser ongeveer veertig minuten om de Grote Kerkstraat te bereiken. De BS-machine komt op toeren.

Bram de Bruin, een bijna vijftienjarige joodse jongen zit samen met zijn zusje Bini ondergedoken bij de familie Roza in de Gerard Terbochstraat. Zijn ouders, die een damesmodezaak aan het Naauw hadden, zijn in de Verstolkstraat ondergebracht, bij de familie Blauw. Ook zijn grootouders zijn ondergedoken. Het verblijf bij de familie Roza duurt al tweeënhalf jaar. Door middel van brieven hebben de kinderen contact met hun ouders gehouden. „Zitten jullie erg in spanning”, schrijft Bram z’n moeder in naar wat later zal blijken de laatste brief zal zijn. „Nee, hè, net als wij, vrij kalm afwachten, hoewel de laatste weken toch wel zwaar vallen. Enfin, wachten hebben we wel geleerd”.

Er hebben allerlei geruchten gecirculeerd dat de bevrijders vlakbij zijn. Moeder De Bruin heeft gewaarschuwd: geruchten zijn vaak niet waar of berusten gedeeltelijk op fantasie. Maar dat het einde komt en de vrede in zicht is, dat is zeker. „Hebben jullie al veel gezonnebaad? Doe het maar flink, dan wen je wat aan de buitenlucht. Nu lieverds, tot een volgende maal, hetzij schriftelijk of mondeling”.

Vader De Bruin heeft op zeker moment gedacht „parachutisten gezien te hebben”. „We hebben erg gelachen om deze veronderstelling. „Een mens past zich gauw aan”, heeft hij geschreven. „Ik stel me toch wel erg in dat we niet meer zo heel lang behoeven te wachten. Het lijkt nu hoogstens een kwestie van weken of dagen, maar laten we nu geen veronderstelling meer maken. Het zal wel lopen zoals het moet”.

„Het is prachtig weer. Een buitengewoon mooie lente. Nu ik denk haast niet dat schrijven door vele gevolgd zal worden. We zijn wel erg op alles voorbereid, maar blijven toch zeer kalm, de lopende gebeurtenissen tegemoet ziend. Al met al begint het flink op te schieten, ook al zijn alle geruchten niet waar”. Dan op deze zaterdagavond hoort Bram opeens de klokken van de Oldehove. Hij kijkt uit zijn raam en ziet de rook opstijgen van het brandende weeshuis. Een paar huizen verder zijn Duitse soldaten ingekwartierd. Bram ziet hoe een Duitse soldaat een vrouw omhelst. Het lijkt alsof zij afscheid van elkaar nemen.

Dood van een verzetsman

Negen uur ’s avonds, Noord Bergum. BS-aanvoerder Wim van Oosten wil versterking van de groep Bergum om het Toutenburg-bos uit te kammen. Teade Kingma wordt naar Bergum gestuurd. Als Tade terugkomt, ziet hij geen wachten meer staan bij de boerderij van Oostenbrug. Hij ziet koerierster Griet van der Meulen met een schaal water van de regenbak komen.

Binnen in de woonkamer van de boerderij ziet Kingma een tafereel dat hij nooit zal vergeten. Zes verzetslieden staan verslagen rond twee lichamen op de grond. Evert Sybesma uit Tzummarum, in de groep bekend als Bouke Kingma, is er slecht aan toe. Hij is door een kogel geraakt. Tjalling Talma uit Feanwâldsterwâl is geraakt in het linkerdijbeen. Talma en Sybesma hebben op wacht gestaan op de dam voor de boerderij. Toen drie fietsende Duitsers, met daarachter een auto met soldaten, kwamen aanrijden is Talma naar binnen gerend om Wim van Oosten te waarschuwen. Die heeft opdracht gegeven aan de wachten om zich terug te trekken. Maar toen Talma weer kwam werd al geschoten. Rennend naar de dam heeft hij geprobeerd te vuren, maar zijn stengun weigerde. Een Duitse kogel sloeg hem tegen de grond. De anderen die naar buiten kwamen, konden de Duitser enkel nog achterna schieten. Evert Sybesma hebben ze bloedend bij een van de hekpalen op de dam gevonden.

Nu zijn jongens onderweg om dokter Poppinga te waarschuwen. Maar het duurt lang. Dan wordt besloten de vrouw van dominee Van der Wal van Quatrebras te halen. Zij is verpleegster geweest. Dominee komt ook mee. De zwaar gewonde Evert Sybesma is bij kennis en vertelt aan de dominee dat hij de volgende dag belijdenis van zijn geloof had willen doen, nu de bevrijding daar is. Hij zegt dat hij dat nu niet meer op aarde kan doen, „mar moarn sil ik by Him wêze”. De woorden en de berusting van Sybesma maken diepe indruk in de kamer. Dokter Poppinga is nog niet verschenen. Teade Kingma gaat er op uit om dan maar dokter De Groot van Veenwouden te halen. Op de terugweg worden Kingma en De Groot aangehouden door Duitsers, maar het gaat op het nippertje goed.

Als dokter De Groot en de inmiddels ook aangekomen dokter Poppinga Talma behandelen, horen ze buiten de boerderij geratel van wagens en paardegetrappel. De lamp wordt op de grond gezet en iedereen houdt zich muisstil. Angstige spanning wanneer de groep Duitsers voor de boerderij stilhouden. Er klinken laarzen op het pad naast de boerderij. Gelukkig halen de soldaten alleen maar water uit de put en even later zet de stoet zich weer in beweging. Als Kingma tegen drie uur in de nacht van de wacht voor de buitendeur terugkomt, hoort hij dat Evert Sybesma is overleden. Tjalling Talma zal die zondag naar het noodziekenhuis in Bergum worden gebracht. Daar zal zijn toestand opeens veel ernstiger blijken dan vermoed. Talma overlijdt in de loop van de middag aan zijn verwondingen. Bonny Biersma, de koerierster die tot haar verrassing zo maar uit Crackstate is vrijgelaten, zal het zondag in Heerenveen niet meer uithouden. Zodra ’s morgens de kust veilig is, leent ze een fiets en trapt richting Wolvega. Rond dezelfde tijd in Wolvega stapt haar vader ook op de fiets. Halverwege ontmoeten ze elkaar. Het is een onvergetelijk weerzien..

Lynchpartij op Hiltsjemuoiswâld.

Zaterdag 14 april 1945 is voorbij. Een groot deel van Friesland is bevrijd. Er is gevochten mensen zijn gesneuveld, of gewond geraakt. Duitsers zijn op de vlucht of gevangen genomen, collaborateurs zijn opgepakt. Tussen Twijzelerheide en Zwaagwesteinde doet zich een drama voor.. Eerst zijn in Twijzel zenuwachtige Nederlanders in ‘verkeerd uniform’ komen aanlopen. In Twijzelerheide is volk op de been.; de Canadezen zijn al bij Kootsertille. „Jullie zitten in de val, ik zou me maar overgeven,” zegt een dorpsbewoner die beide mannen is afgestapt. Dezen, landwachters of leden van de NSKK, overleggen angstig. Tenslotte gaan ze met de man mee, die hen naar de plaatselijke verzetsgroep brengt. Even later verschijnt nog een man in donker uniform in Twijzelerheide. Hij gaat de richting van Zwaagwesteinde op. Het is de Haarlemmer Andreas van der Plaat, die in dienst is van de NSKK. De man reageert schichtig als hij in het begin van de middag langs groepjes mensen komt die hem uitschelden.

Van der Plaat is op de vlucht en krijgt het steeds benauwder. Wanneer hij weer langs een samenscholing komt, op Hiltsjemuoiswâld, voelt hij zich bedreigd. Hij grijpt naar zijn pistool en schiet Yde van der Heide door de pet. Dat is het begin van een drama dat men zich nog lang zal herinneren. Mannen rennen op Van der Plaat af en beginnen hem te schoppen en te slaan. De stoppen moeten zijn doorgeslagen. Mannen met schoppen en een bijl dagen op, die op Van der Plaat inhakken. Die kan zich niet verweren tegen zoveel geweld. Zijn belagers plassen hem in zijn mond. langs de kant van de weg sterft hij. Zijn zwaar verminkt lichaam wordt even later op een karretje door Zwaagwesteinde gevoerd. Het lijk wordt in het ‘barehüske’ op de begraafplaats in Zwaagwesteinde gelegd bij het stoffelijk overschot van Jannes Wijkstra uit Haulerwijk. Wijkstra is ’s morgens door het verzet doodgeschoten toen hij een vluchtpoging deed uit de pastorie aan de Kerkstraat.
Er is nooit een onderzoek ingesteld naar het drama tussen Twijzelerheide en Zwaagwesteinde. Men sprak er niet over. Vijftig jaar later is het nog moeilijk getuigen te vinden. Een getuige die beslist anoniem wil blijven weet te vertellen dat een van de betrokkenen later grote wroeging heeft gekregen en de herinnering aan de moord zijn hele leven heeft meegedragen.

zondag 15 april

Gevechten tussen BS en Duitsers langs Kolonelsdiep

Gevecht bij door Duitsers bezette boerderij te Stroobos. NSB’er op vlucht doodgeschoten. Canadezen schieten boerderij in brand.

Ruim 100 Duitsers en 81 Nederlandse collaborateurs bij Blauwverlaat gevangen gezet.

Gevecht met Duitsers bij Dokkumer Nieuwe Zijlen beslecht door tussenkomst Canadese militairen. Gerrit Bleeker en Jacob de Graaf van BS gesneuveld bij gevecht op Soensterdijk.

In Kollum zouden 23 gesneuvelde Duitsers begraven zijn.

BS’ers Jan Kaper en Harmen Brouwen komen in Akkerwoude (nu Damwoude) om bij een poging twee SS’ers gevangen te nemen. SS’ers verschansen zich in boerderij. Eén, een Nederlander, wordt doodgeschoten, de ander komt om in door Canadezen in brand geschoten boerderij. Canadese militair komt om bij gevecht.

BS’er Bauke Lijklema dodelijk gewond in gevecht met Duitsers te Steenendam onder Birdaard

BS’er Harm de Vries sneuvelt bij pompstation in Noordbergum

Leeuwarden bevrijd

Op zondag 15 april is Leeuwarden vrij.

In alle vroegte zijn BS’ers, uit hun commandopost aan de Wirdumerdijk achter de groentewinkel van Fahner, de straat opgegaan. Het Old Burger Weeshuis aan het Zaailand, dat de vorige nacht door de Duitsers in brand is gestoken, brandt als districtscommandant Epke Wiersma zijn provisorische hoofd- kwartier verruilt voor de door de SD verlaten Burmaniahuis. Het is half zes in de morgen. Voor het eerst in de geschiedenis van Leeuwarden zullen de kerken deze zondagmorgen gesloten blijven.

Vanaf dat moment zijn overal op straat BS’ers te zien, in blauwe overall met oranje band om de arm en bewapend met stenguns. Ze nemen strategische punten in de stad in en ontfermen zich over de elektriciteitscentrale, het postkantoor en het politiebureau. Ze beschikken over rijklare auto’s waarvoor 200 liter benzine was bewaard. Bij het eerste daglicht durven de mensen nog nauwelijks de straat op. Slechts hier en daar wordt de vlag uitgestoken. De BS verheft de modezaak van Max van der Kam aan de Wirdumerdijk tot tijdelijk bestuurszetel. Mr. J. Algera, oud kamerlid voor de Anti-Revolutionairen, wordt als waarnemend burgemeester geïnstalleerd door waarnemend commissaris der koningin Haan, en Jetze Huisman, een voor de illegaliteit werkende rechercheur, wordt waarnemend hoofdcommissaris van politie.

Na het opstellen van een proclamatie reppen Algera en Huisman zich naar het politiebureau om het politiekorps provisorisch te zuiveren. Vervolgens gaan ze naar het stadhuis. Door vindingrijkheid gebruik van de inductietelefoons van het PEB kan de Leeuwarder BS die ochtend de Canadezen melden dat Leeuwarden al een vrije stad is. Onderduiker Bram de Bruin kijkt die zondagochtend uit zijn zolderraam. Buiten ziet hij op de Borniakliniek de Nederlandse driekleur wapperen. Af en toe ziet hij iemand met een band om z’n arm lopen. „Dat zijn BS’ers”’ legt Roza uit. Henk Blauw, bij wie de ouders van Bram en Bini ondergedoken zijn, arriveert op de fiets. „Binnen blijven tot je ouders jullie komen halen”’ zegt hij.

Maar als later de hele buurt uitloopt en de kreet ‘de Canadezen zijn in de Schrans’ klinkt, roept Roza ook de kinderen Bram en Bini naar buiten: „Kom er maar uit, het is veilig”. Aarzelend gaat Bram de straat op. Hij kan na tweeënhalf jaar binnen gezeten te hebben, nauwelijks meer lopen. Het lijkt wel of hij zweeft. Zus Bini durft niet naar buiten. Zij wacht liever op haar ouders.

De buurman speelt het Wilhelmus op het orgel. Het is feest. En mevrouw Roza braadt een paar karbonaadjes. Niemand weet hoe ze eraan komt.

Om 12.23 uur rijdt de eerste Canadese gevechtswagen van de Royal Canadian Dragoons Leeuwarden binnen. De bevrijders komen uit oostelijke richting, over de Groningerstraatweg, langs het oude Tolhuis en de watertoren. De Leeuwarders zijn nu niet meer te houden en gaan massaal de straat op. Leeuwarden is door het dolle heen. Vlaggen worden van zolder gehaald. Ype Schaaf, zoon van de visboer in de Breedstraat en net vijftien geworden, staat op de Noorderweg. Vijf jaar geleden heeft hij hier ook gestaan, als jochie van tien, toen de Duitse colonnes langstrokken op weg naar de Afsluitdijk. Nu zijn het Canadese legervoertuigen. De mensen langs de weg juichen, ze staan te dansen rond de Canadese tanks. Soldaten delen sigaretten, witbrood en chocolade uit. Sommigen klimmen op de tanks en vragen handtekeningen aan de Canadezen. „No problem”’ zegt een van hen en ondertekent met „Hitler, Berlin.” Het heeft de laatste weken gegonsd van geruchten in het buurtje rond de Grote Kerk. Hoe lang nog? Gas en stroom waren afgesneden en ook het water dreigde op te raken. Hoe overleven we zonder water, hebben de buurtbewoners zich afgevraagd. Maar jongens, we wonen hier toch Bij de Put? Graven dus. En ja hoor, achter een van de woningen is een put gevonden. „Water, een pak van ons hart! Haal emmers, pannen en kommen.”

Ype was die laatste week nog gewoon melk gaan halen bij de boer. Overall aan en klompen aan en met een grote transportfiets met melkbus naar Birdaard. Flink doortrappen, om voor acht uur ’s avonds binnen te zijn. De Duitsers en landwachters hebben Ype steeds voor een boerenknechtje aangezien.

Dat er toch wat echt stond te gebeuren was duidelijk geworden toen de Duitsers hun vliegbasis de Fliegerhorst hadden opgeblazen. „Nu is het echt afgelopen, Ype”, had vader Schaaf gezegd. „Nou bin we gau frij”. Daags na de explosies was een lange stoet Leeuwarders met karren en alles wat maar rijdt naar de basis getrokken om hout te halen. Ype heeft mensen zelfs met hele wasbakken zien terugkeren.. De Duitsers grepen al niet meer in. Het was gebeurd. Op zaterdagavond mocht Ype niet meer de straat op van zijn ouders, „Groot alarm, jonge”.

De colonne Canadezen komt tot stilstand op de Voorstreek, waar overste Keith Landell zijn intrek neemt in hotel De Doelen, op de hoek van de Minnemastraat. Zijn mannen zetten hun tocht voort. De stad viert feest. Drie oude Duitse soldaten proberen met een paard en wagen langs de menigte te komen. Ze vervoeren voedsel voor de Duitse gewonden. „Jongens, aan de kant, die mof moet er langs”, klinkt het.

‘De Duitsers komen terug’

Halverwege de middag is plotseling paniek. „De Duitsers komen terug”. Je zal zien, loopt het nu toch nog fout, denken velen.„Het leek ook allemaal ook veel te mooi”. De vlaggen worden binnengehaald. Even later komt de geruststellende mededeling: loos alarm. Dan barst het feest opnieuw in alle hevigheid los. Mensen die elkaar in jaren niet hebben gezien, komen elkaar tegen. Het is een dolle boel. De Canadezen stortten zich in het feestgedruis. Ype zwerft die middag samen met een kornuit door de stad. Op een bepaald moment zien ze aan de rand van de stad een Canadese soldaat met een meisje het land in gaan. „Wat zouden die nu gaan doen, joh?”

Vader Charles Schaaf herinnert zich plotseling dat zijn buurman, fietsenmaker Bertus van der Vegt, na Dolle Dinsdag (5 september 1944) een doosje Chief Whip-sigaretten toonde. „Als ze echt weg zijn gaat dit doosje open, Schaaf, had hij gezegd. „Vrouw ik ga even naar de buurman”. De BS heeft het intussen druk met het arresteren van collaborateurs en Duitsers. Als de Canadezen Leeuwarden binnentrekken zijn er al 781 Duitse krijgsgevangenen gemaakt. Met de NSB’ers weten ‘de jongens van Oranje’ wel raad. Een groep NSB’ers krijgt de opdracht urenlang de klokken van de Oldehove feestelijk te luiden. In een enkel geval gaat het mis. Als BS in de Jacob Binckesstraat Van der Ven (NSB) willen arresteren, weigert de man zijn huis uit te komen. Een van de BS’ers gooit dan een handgranaat naar binnen. Daarbij wordt de twintigjarige Jeltje van der Ven gewond. Ze overlijdt in het ziekenhuis. Frans Hofstede, opticiënszoon van Over de kelders, heeft de dag van zijn leven.

De 22-jarige Leeuwarder is een hartstochtelijk amateurfilmer. Hij filmt dat het een lieve lust is. Canadese soldaten nodigen hem uit om op een tank plaats te nemen. Boven op de tank ziet Hofstede door zijn lens alleen maar juichende mensenmassa’s. Leeuwarden is vrij.

Waarom hebben de Duitsers Leeuwarden zonder slag of stoot opgegeven, waarom hebben ze niet gevochten? Het verhaal gaat dat dat te danken is aan de Roermondse bisschop Lemmens, die in Leeuwarden geëvacueerd is. Hij zou met de Duitse commandant gesproken hebben en hem de garantie hebben gegeven dat hij een goed woordje zal doen voor de Duitse gewonden, als de Duitsers de stad verlaten zonder strijd te voeren. Naar schatting liggen er 1500 Duitse gewonden in de diverse legerhospitalen in de stad.

„Waar kan ik jullie een plezier mee doen”, vraagt een van de Canadezen aan Hofstede en zijn zus. „Met thee”, zegt ze. „Geen probleem”, vindt de Canadees en hij gaat mee naar het huis van de familie Hofstede. Moeder Hofstede is blij met de thee. „Daar kan ik wel tien potten van zetten”, zegt ze. Maar de Canadese soldaat denkt daar anders over. „Dit is geen thee maar heet water”, briest hij, nadat hij een slok genomen heeft.

Frans Hofstede slaagt erin nog enkele filmpjes te bemachtigen. Zo kan hij gewoon door blijven filmen. Terwijl hij opnamen maakt, vangt hij op het bordes van hotel De Doelen een gesprek op tussen de BS-commandant en zijn ondergeschikten. „Meteen alle NSB’ers, landverraders en moffenmeiden opvangen. We moeten proberen een bijltjesdag te voorkomen. De bevolking mag niet het recht in eigen hand nemen”, zegt de commandant.

Omstuwd door een joelende menigte worden de eerste NSB’ers naar het politiebureau aan de Nieuwestad gebracht. Ook de gevangenis biedt de nodige ruimte.

De afgelopen nacht om drie uur heeft de BS in het Huis van Bewaring de gevangenen al bevrijd. Tweehonderd mensen, onder wie verzetslieden maar ook mensen die hun radio niet hadden ingeleverd, of jongens die zich aan hun tewerkstelling in Duitsland hadden onttrokken, zijn uit hun cel gehaald.

De ongeveer honderd gewone criminelen zijn eerst ook uit hun cel gehaald, maar daarin teruggestopt na raadpleging van hun antecedenten. Dus is de bevrijding ook niet weggelegd voor de Amsterdamse jood Sally Z. Hij is, vanwege de moord op de achtjarige Sonja Beugeltas in de Jordaan, in 1935 tot levenslang veroordeeld en zit die straf uit in de Leeuwarder gevangenis. De Duitsers hebben eens een poging gedaan hem op te halen voor deportatie, maar hij was op dat moment verstopt en zijn papieren waren uit de gevangenisadministratie verwijderd. Zo heeft hij tussen vier muren het Derde Rijk weten te overleven.

Zondagsavonds zitten de kerken in Leeuwarden stampvol. In alle kerken in de stad worden dankdiensten gehouden. Ds. F.A. Hofman preekt in ‘zijn’ gereformeerde Schranskerk. „Dank God in alles. Voor het geluk van een zonnestraal in je cel en meer nog, samen met hen die je lief zijn, voor een hele zonnige bevrijdingsdag”, zegt de predikant, die ’s morgens vroeg uit de gevangenis is bevrijd.

Oude Schouw

Terwijl de BS in Leeuwarden de stad definitief in handen neemt, komen twintig kilometer zuidelijker tientallen BS’ers uit Irnsum, Akkrum en Terhorne in actie. In alle drie plaatsen liggen boten klaar met balken en planken: de BS heeft zich voorbereid op vernieling van de bruggen door wegtrekkende Duitsers. De boot die een eind verderop in de Wjittering ligt, wordt naar Oude Schouw gevaren en op de plaats van de vernielde brug vastgelegd.

Dan komen de boten met hout. Arjen Schouwstra vaart mee. Goed elf uur ’s morgens arriveert zijn boot bij Oude Schouw. Er zijn al allemaal mensen aan het werk met het maken van een noodbrug. De leiding is in handen van mannen met een band om de arm, waarop de letters NBS staan. Arjen Schouwstra schrikt: hij denkt dat het NSB’ers zijn. Maar dan realiseert hij zich dat dat niet kan. Er staat immers een Canadese militair die met een jeep uit Akkrum is gearriveerd.

De Canadese sergeant Charles Dunlop wordt door zijn commandant in Akkrum op verkenningstocht gestuurd. Hij laat zich bij Oude Schouw met een praam overzetten en rijdt via Irnsum naar Leeuwarden. Als hij terugkomt meldt hij dat de Canadese colonnes de stad inmiddels hebben bereikt. Dunlop zelf wordt gehuldigd als de eerste bevrijder van Irnsum.

Tegen vieren ’s middags is de brug klaar. De Canadese colonne in Akkrum kan verder trekken, over de brug bij de Oude Schouw. Het eerste voertuig is een jeep, waarop met grote letters: ‘Provost’ (militaire politie) staat. Dan volgen soldaten op motoren. Na hen komt een rij lichte wagens. Het zijn Franstalige Canadezen, zo horen de Irnsumers. ’s Avonds worden enkele honderden Canadese militairen bij burgers in Irnsum ingekwartierd. Ze zijn opvallend rustiger en stiller dan de veelal luidruchtige Duitsers.

Gevechten rond de Scharsterbrug

De spanning in Scharsterbrug is al dagen voelbaar. De oorlog loopt ten einde, beseft iedereen. Het is druk, deze zondagochtend. Massaal trekken de Duitsers door het dorp naar Lemmer, op de vlucht voor de Canadezen die in aantocht zijn. Heerenveen is al bevrijd en Joure ook. Germ Klijnstra’s negentien jarige broer Kees is altijd al van het ondernemende slag geweest. Als de brug over de Scharsterrijn rond het middaguur met een enorme explosie de lucht ingaat is hij resoluut. „Wy binne befrijd. Myn fyts, heit. Ik wol nei de Jouwer ta. Sjen oft de Kanadezen der hast oankomme”.

Een paar uur later is Kees terug. Hij vertelt aan iedereen die hij tegenkomt, dat de bevrijders in aantocht zijn. Als hij weer thuis is en vanuit de voorkamer van de boerderij aan de Hollandiastraat de weg afkijkt maakt een kogel een einde aan zijn leven. Een Duitse scherpschutter raakt Kees in zijn slaap. Een droge knal, een gaatje in het raam. Hij is op slag dood. De brug mag dan opgeblazen zijn, de Duitsers zijn niet van plan zich snel over te geven. Dat wordt al gauw duidelijk. Met bootje steken ze het water over en verschansen zich in de fabriek en de omliggende woningen. Vlak voor de boerderij van Bonekamp brengen ze een zware mitrailleur in stelling. Wie over de weg vanuit Joure nadert, is er geweest. Even later komt de eerste bevrijder in zicht. Het is Richard Jung, een ondergedoken deserteur uit het Duitse leger; hij is afkomstig uit Tsjechoslowakije. Jung gaat de Canadezen voor als verkenner. Maar hij is overmoedig en raakt te ver vooruit. Vlak voor de boerderij van de Klijnstra’s wordt hij dodelijk getroffen. Er wordt hevig geschoten. De Canadezen zoeken dekking aan de Jousterkant van het dorp, de Duitsers zitten bij de brug en houden hun positie vast. De boerderij van de Klijnstra’s ligt in de vuurlinie. De bewoners verschuilen zich in de kelder. Het vee is door het lawaai in paniek geraakt en gaat hevig tekeer. Bovendien is het melkenstijd.

Als Germ even het kelderluik open doet, slaat de schrik hem om het hart. De boerderij is in brand geschoten. Ze moeten nu rennen voor hun leven. Germ vlucht het huis uit, sprint de weg oven en springt in een droge sloot. Dan sluipt hij naar boer Akkerman aan de overkant. Die haalt hem binnen en samen duiken ze weer in de kelder. Het zal twee dagen duren voor Germ heit, mem en zijn zusters terugziet. Het lichaam van zijn broer is achtergebleven in de boerderij. Net als al het vee. Spannum De Spannumer koerierster Tetsje Eringa brengt twee ondergedoken leden van de marechaussee de boodschap dat zij de brug onder de Rien moeten opblazen.. Maar als het duo onderweg is en Tetsje verneemt dat een Duitse patrouilleboot ter hoogte van de brug ligt, gaat ze de mannen op de fiets achterna. Waar Tetsje bang voor is, gebeurt. Op het moment dat de ene marechaussee, Coop, bezig is met het aanbrengen van de springstof wordt hij vanaf de waterkant beschenen door een fel licht. Van schrik laat hij de staven dynamiet in het water vallen. Hij valt even later zelf in het water, doordat hij in zijn rechterzij is geschoten. Zijn maat trekt hem, met behulp van de bewapende Tetsje, op de wal. Als Coop zijn eerste stap op het droge zet, doemen de twee Duitse bemanningsleden van de patrouilleboot achter hen op. Tetsje bedenkt zich geen moment en schiet de voorste Duitser in de borst. Coops maat werkt de tweede Duitser tegen de grond, berooft hem van zijn wapen en duwt hem in de vaart. Een half uur later brengt een te hulp geroepen verpleegster zowel de verzetsman als de Duitse militair naar het Sneker ziekenhuis. Beiden doorstaan de operatie goed. Tetsje zal later met Coop trouwen.

Sneek bevrijd

Die zondagochtend wemelt het in Sneek nog van de Duitsers. Ze zijn op de terugtocht. Het verzet legt hen het vuur na aan de schenen. Halverwege is aan de noordkant van de stad een colonne valschermtroepen aangevallen, waarbij aan Duitse kant slachtoffers zijn gevallen. De BS heeft zich pas teruggetrokken nadat de Duitsers versterking hadden gekregen. De Duitsers nemen is alle haast hun gewonden mee; de controle over de Leeuwarder- en Bolswarderweg laten ze aan de BS over. Het is echter nog lang niet rustig in Sneek. Duitsers die in de stad gelegerd zijn geweest, besluiten tegen het krieken van de ochtend nog schade toe te brengen. Snekers die de nacht niet wakend hebben doorgebracht, schieten nu overeind in bed: met een oorverdovende knal vliegt de Waag, schuin tegenover het stadhuis aan de Marktstraat in brand. Het monumentale gebouw gaat in vlammen op. Blussen is zinloos. Tot laat in de avond smeult de puinhoop na.

Om één uur ’s middags komen de gevechtstroepen van de BS bijeen in de Rijks HBS aan de Singel. Sommigen kennen elkaar alleen van gezicht. Nu pas komen ze van anderen te weten dat ook zij in het verzet hebben gezeten. „Hé, sistou dur ok bij?”, hoort verzekeringsman Ulbe de Boer meermalen zeggen. De Boer is de sectiecommandant en net als de andere veertig mannen krijgt hij een wapen aangereikt. De wapens hebben met medeweten van de conciërge, verborgen gelegen onder de houten tribunevloer van het natuurlokaal.

Slechts een enkeling weet hoe ze daar zijn gekomen: met hulp van de Duitsers. Ruim een maand geleden is het schiettuig van een schip in de Houkesloot naar de school overgebracht. De immer grijnzende Jan de Rapper is zes keer heen en weer gereden met een gestolen bakfiets. Politieman Dick (‘Bontje’) Brouwer, sinds het begin van de oorlog de centrale man in het Sneker verzet, heeft de vrachtjes begeleid. Op de lichtoplopende Jousterkade heeft Brouwer eens enkele Duitse soldaten aangeschoten, met de vraag of ze een handje konden helpen. Dat wilden ze best. Ook bij de volgende ritten waren ze enthousiast van de partij. De geweren, stenguns en pistolen lijken er bij de verdeling alleen maar waardevoller door geworden. De mannen gaan in groepjes uiteen. De Boer posteert zich met vier BS’ers op de Oppenhuizerweg, ter hoogte van de kalkovens. Ze houden hun blik gericht op het eind van de weg, richting Joure, in de veronderstelling dat de Canadezen daar vandaan zullen komen..

De Boer ontdekt de bevrijders het eerst. In colonne rijden de Canadezen over de Groenedijk, dus via Offingawier, rond half zes Sneek binnen. De Canadezen zijn het Snekermeer noordelijk in plaats van zuidelijk gepasseerd. „Se wienen der einlik”, zegt De Boer. „Nei füf jier wer frei. Dat wie it iennichste dat foar ús telde”. Andere BS’ers hebben eerder bij de Waterpoort kunnen verijdelen dat Duitsers de Lemmerwegbrug opblazen. Vijftien NSB’ers zijn in twee boten de Geeuw uitgevaren. Bij Osingahuizen besluiten die zich alsnog aan het verzet over te geven. De BS’ers zijn hoogst wantrouwend en verwachten een valstrik, maar die vrees blijkt ongegrond. Om half drie strompelen op de Bolswarderweg de laatste twee Duitsers de stad uit. De een ondersteunt de ander. „Schieten?”, vraagt een uit Drenthe afkomstige verzetsman aan een sabotagegroep uit Wymbritseradeel. „Bist gek wurden?”, krijgt hij ten antwoord. Maar zijn stengun gaat toch af. Niet de Duitsers, maar Kees Hofstra wordt per ongeluk geraakt. Een kogel gaat dwars door zijn voet. De hevig bloedende Hegemer wordt door een maat op de rug genomen en naar het nabijgelegen Sint Antonius Ziekenhuis gebracht.

Tegen die tijd heeft Dick Brouwer zijn onderduikadres boven de drukkerij van het Sneker Nieuwsblad op het Grootzand al verlaten. Hij heeft daar de laatste weken doorgebracht, nadat hij twee geslaagde bevrijdingen van BS’ers uit zijn eigen politiebureau heeft gecoördineerd. De grond was hem te heet onder de voeten geworden. Brouwer meldt zich in de namiddag in hotel Onder de Linden bij plaatselijk BS-commandant Ruurd van der Sluis. Die geeft hem de leiding over het aanhouden van NSB’ers en meisjes die met Duitsers hebben verkeerd. „Wij moesten voorkomen dat de burgerij eigen rechter ging spelen”, zegt Brouwer. „In een enkel geval waren we te laat en was een meisje kaalgeknipt of een NSB’er te grazen genomen”.

De NSB’ers worden opgesloten in de Rehoboth-ulo aan het Oud Kerkhof, in afwachting van hun transport naar elders. Verschillende meisjes zijn na een paar dagen alweer vrij. Brouwer: „Die gingen toen net zo vrolijk met de Canadezen van de kruk. Hun gewip met Duitsers zullen ze die jongens wel niet aan de neus gehangen hebben”. Vijftig jaar later kan Brouwer door zijn eigen straat lopen. Net als zijn plaatsgenoot en medeverzetsstrijder Gerben Oppewal. Toen de gemeente een paar jaar geleden vroeg wat hij ervan zou vinden als een straat in de nieuwbouwwijk De Zwette naar hem zou worden genoemd, twijfelde hij. „Maar mijn zoon zei dat het wel aardig voor de kleinkinderen was, een opa met zijn eigen straat. Toen heb ik het maar gedaan”.

Slag om de Wellebrug

Zondagsmiddag krijgt de twaalf man sterke verzetsgroep van Woudsend, die al twee dagen in de boerderij van Cees van Brug op het eiland Gouden Bodem verblijft, de melding binnen dat de Wellebrug in de strategische belangrijke Lemmerweg veiliggesteld moet worden. Op dat moment kerken gereformeerden en hervormden. Onder de kerkgangers bevinden zich mensen die ’achter’ de brug wonen. Als het menens wordt, kunnen die voorlopig niet meer naar huis. Siebolt Nauta gaat naar de gereformeerde kerk. Binne Westerhof , de oprichter van de verzetsgroep, klopt aan bij de hervormde kerk.

„De koster skrok him hast dea , doe’t ik de tsjerke ynstapte, mei myn overall mei BS-earmbân oan en swier bewapene”, zegt Westerhof. „De dûmny ûnderbruts syn preek en doe ha ik tsjin de minsken sein dat se fuort nei hûs ta moasten. De tsjerke wie samar leech”.

De Wellebrug wordt door slechts twee Duitsers bewaakt. Ze rekenen er kennelijk niet op dat vanuit het naburige Woudsend gevaar is te duchten. De BS’ers steken bij de zuivelfabriek aan de rand van het dorp met een bootje de Welle over, om aan de noordkant van de brug te komen. Dwars door de weilanden gaat het naar de boerderij van Jan Okma. Als ze bijna op het erf zijn, zien ze twee Duitsers uit de boerderij komen. Een van de soldaten grijpt naar zijn wapen. Een schot klinkt. De Woudsenders staan nog keurig overeind. Niet echter de Duitsers. De ene ligt gewond op zijn rug, de tweede vlucht de boerderij binnen.

De man die heeft geschoten wordt Karl genoemd. Karls echte naam is Erwin Albrecht. Hij komt oorspronkelijk uit de Elzas en voelt zich Fransman. Hij heeft medicijnen gestudeerd in Parijs. In 1935 is hij wegens communistische sympathieën in het concentratiekamp Dachau beland. Vijf jaar later is hij er weer uitgekomen: zijn kaken zijn kapotgeslagen, een van zijn ogen uit de kas geschopt. Zijn benen vertonen lelijke littekens.

Bij het uitbreken van de oorlog is Karl met het Strafbataljon 500 naar Stalingrad gestuurd, een 1700 gepreste soldaten tellend legeronderdeel waarvan er uiteindelijk slechts 32 man overleven. Karl is een van hen; hij wordt naar Nederland overgeplaatst, waar hij op het Amelander Noordzeestrand mijnen moet leggen. Met een meisje van de Wehrmacht heeft hij het waddeneiland weten te ontvluchten. Bij boeren in de omgeving van Woudsend vond hij onderdak. Als Westerhof hem naar een ander onderduikadres brengt, biedt Karl zich aan als ‘Partisan” „Ik fertroude Karl hielendal. Ik woe him bij de fersetsgroep hawwe. Mar dat waard wegere. Goede Dútsers wienen der net, fûn men”, zegt Westerhof. Toen de BS opdracht kreeg de Wellebrug te veroveren, wordt Karl er toch bijgehaald. „Ik rûn in risiko, mar myn gefoel sei dat it mei dizze man wol goed siet. Hy hate de Dútsers mear as wy mei ús allen”.

Nadat Karl de ene Duitser heeft neergeschoten en nummer twee na een snelle zoektocht door de boerderij weet te overmeesteren, is het voor iedereen zo klaar als een klontje: deze man verdient de leiding over de operatie. Even later ziet Karl twee andere Duitsers naderbij komen. Hij schiet er eentje neer. De tweede, een officier, geeft zich over. Als de Woudsenders de weg bereiken, zien ze tot hun schrik uit de richting Sneek drie wagens naderen, elk bespannen met twee paarden en vol Duitsers. De BS’ers verschuilen zich achter bomen en in de berm. Als de Duitsers passeren roept Karl, die achter een mitrailleur ligt, hen toe dat ze zijn omsingeld en zich moeten overgeven. Meteen gaan twintig paar armen de lucht in. De soldaten worden ontwapend. Buurtbewoners worden van wapens voorzien om de Duitsers op het erf van Jan Okma te bewaken. Als de mannen naar de brug optrekken komt hun regiochef Jan Piebenga, schoolhoofd in Oudega (W), poolshoogte nemen. Hij zegt dat hij naar Nijezijl gaat, waar de staf zetelt. Westerhof” „Ik hear it him noch sizzen. ‘As jimme by de brêge yn de problemen komme, jou dan gelyk in berjocht om help oan ús troch’, sei er. No dat ha wy witten”.

Verderop zijn intussen 20 tot 25 Duitsers gearriveerd. Ze zijn opgetrommeld door de bewakers van de Wellebrug. Die hebben onraad geroken. Het draait uit op een schietpartij. Jaap Nagelhout, een Woudsender die deze dag 28 jaar geworden is, wordt dodelijk getroffen. De schutter is een soldaat die in een boom is geklommen. Als Karl hem ontdekt, schiet hij hem uit de kruin.

Even later raakt Karl zelf gewond. Een kogel gaat door zijn schouder. Hij blijft echter doorschieten en geeft Westerhof de opdracht hulp te halen in Nijezijl. Als die daar aankomt, blijkt de staf met de noorderzon verdwenen. Een bejaarde inwoner zegt dat iedereen hem is gesmeerd, nadat het bericht is binnengekomen dat er een paar honderd Duitsers vanaf Lemmer naar de Wellebrug onderweg zouden zijn. Het verhaal van de honderden oprukkende Duitsers blijkt later een fabeltje. Vloekend springt Westerhof op zijn fiets en rijdt naar Sneek, in de hoop dat de Canadezen daar al zijn aangekomen. Dat blijkt het geval. In Hotel Hanenburg krijgt hij de bevelvoerder te spreken. Hoewel de Canadees aanvankelijk de kwestie met een grapje (‘sorry, we vechten niet op zondag’) probeert te relativeren, is hij al vrij snel bereid serieuze actie te ondernemen.

Het is al donker als Westerhof met de Canadezen in een gepantserd verkenningsvoertuig bij de Wellebrug aankomt. Die blijkt inmiddels door de Duitsers te zijn opgeblazen. Geschoten wordt er niet meer. De vijand heeft bij het gevecht zeven man verloren.

De Woudsenders hebben zich na de vernieling van de brug teruggetrokken op een boerderij bij Smallebrugge. Westerhof ontmoet hen daar later op de avond. Er zijn geen slachtoffers gevallen aan de kant van de BS en de verwonding van Karl valt mee. Een aardige verpleegster staat hem bij. Na de oorlog zal Karl een baan krijgen bij het Academisch Ziekenhuis in Groningen en er na een poosje met de kas vandoor gaan. Sindsdien is nooit meer iets van hem vernomen. De volgende morgen gaan de Canadezen bij de Wellebrug tot actie over. Er wordt hevig met zwaar materieel geschoten De Duitsers die zich achter de brugwachterswoning en bij de boerderij van Anne Dijkstra verschuilen, worden met vlammenwerpers bestookt. Boerderij en woning gaan in vlammen op. Twaalf Duitsers laten het leven. De rest vindt het welletjes en laat zijn hakken zien.

Schuit in de Paesumerpolder

Terwijl Leeuwarden en Sneek zich opmaken voor de komst van de bevrijders, gaat op deze zondagmorgen het nieuws door het vissersdorp Paesens Moddergat: Er is een Duits schip vastgelopen in de buitendijkse polder en het zit vol sigaretten en drank. Een groot deel van de bevolking is nog maar nauwelijks bekomen van de feestvreugde van zaterdagavond in Dokkum. Lou Vanger: „We hiene mei in hiele ploech nei Dokkum west. Op de Merke, nei de Kanadezen. Sigaretten en sûkelade. Dat wie my dochs in feest”.

Zondag of niet, het juttersbloed werkt. Zo dichtbij een schip, dat moet welhaast een godsgeschenk zijn. Er zijn nog Duitsers aan boord, waarschijnlijk militairen die van Schiermonnikoog wilden vluchten. Maar wie maalt nu om die soldaten als blijkt dat ‘De Inge’ een flinke lading Consi-sigaretten in het ruim heeft? Het duurt dan ook niet lang of menig Paesumer heeft een pakje in zijn broekzak.

Het schip zal een aantal dagen blijven liggen en veel hout ervan verdwijnt in de kachel. Een groep NSB’ers zal later naar Paesumerpolder worden gedirigeerd. Graven, luidt het bevel, want de Inge moet weer vlot, waarna zij versleept zal worden naar de werf in Stroobos. Daar wordt het schip verbouwd. Het heeft nog jarenlang de beurt van Dokkum naar Schiermonnikoog onderhouden.

Slachtoffers Dokkumer Nieuwe Zijlen

Die zondagmorgen gaan de uitgeruste verzetsmensen van Dokkumer Nieuwe Zijlen terug naar de Soensterdijk. Bij de sluizen zijn zaterdag nog vier Duitse marinemensen gepakt die rustig kwamen aanvaren met de hakenkruisvlag in top. De mannen aan de Soensterdijk zijn vastberaden: er zal nu geen Duitser meer ontkomen. Vroeg in de morgen nemen ze drie Duitsers gevangen. Een paar uur later nadert een Duitse motorrijder. Hij schrikt van de mannen die op hem schieten en raakt van de weg. Met de handen omhoog komt hij weer te voorschijn. Op dat moment komt een honderd meter verder een Duitse vrachtwagen aanrijden. De Duitse motorrijder grijpt zijn pistool en begint te schieten. Hij waarschuwt daarmee de inzittenden van de vrachtauto, ten minste twintig soldaten. De motorrijder moet zijn daad met de dood bekopen.

Er wordt meteen over en weer hevig geschoten. Duitsers gooien handgranaten. De BS’ers moeten dekking zoeken achter de dijk. Het mitrailleurvuur van de Duitsers is oorverdovend. De 36-jarige Gerrit Bleeker uit Heerenveen en de 42-jarige Jacob de Graaf uit Kollumerpomp worden dodelijk getroffen. De Duitsers bevinden zich aan de andere kant van de dijk en er dreigt een patstelling. Als BS’ers handgranaten naar de Duitsers gooien klinkt opeens de kreet: „Sy naaie út”. De mannen vinden een aantal dode Duitsers. SS’ers, zo blijkt, die onder leiding stonden van een jonge officier.

Een half uur na dit gevecht, tegen het middaguur, komen er Canadese voertuigen aan. Politieman Tilstra wijst hen de weg. De Canadezen gaan op zoek naar de vijf Duitsers die zijn gevlucht. Ze hebben zich verstopt achter een mesthoop. Een paar schoten uit de gevechtswagen zijn genoeg. Ze komen tevoorschijn met een witte vlag en geven zich over. In de loop van de middag worden alle gevangenen onder begeleiding van de verzetsgroepen van de Zijl overgebracht naar de openbare school in Kollum.

Het is een wonderlijke optocht van verslagen soldaten en NSB’ers, met naast hen de BS strijders in hun blauwe overalls, op een afstandje gevolgd door fietsende en huppelende opgewonden bewoners van de streek. De gewonden gaan naar het lazaret in de Oosterburgstraat.

Vlucht naar Schier

Terwijl de schietpartij bij de Dokkumer Nieuwe Zijlen in volle gang is, varen uit de richting Oostmahorn een douaneboot, het rijksbetonningsvaartuig van Zoutkamp, een sleepbootje en een zolderschuit naar Schiermonnikoog. Op de schuit staan zeven zwaarbeladen auto’s.

Het is een merkwaardige vloot. Aan boord bevinden zich 72 Duitse en 48 Nederlandse SD’ers en 11 vrouwen. De meeste vrouwen hebben gewerkt in het Scholtenshuis, het beruchte SD-hoofdkwartier in Groningen, Tegen het middaguur leggen ze aan op Schiermonnikoog.

Eiland-commandant Wittko, die net als alle schippers van Schier had ontboden voor een verhoor over hun weigerachtigheid tot uitvaren, wacht hen op. Hij ziet hoe de SD’ers fietsen uit laden en de auto’s met kisten vol kleding, levensmiddelen, flessen drank en kostbaarheden aan land brengen.. Er zijn vier gewonden aan boord. De commandant van de groep, Thomas Thomson, bekend als ‘de beul van de Veluwezoom’, zegt dat ze beschoten zijn door Binnenlandse Strijdkrachten. In het gezelschap bevinden zich de beruchte SD’ers Frans Lammers, Jan Ale Visser en de gebroeders Faber. En de Duitse beul van het Scholtenshuis Robert Lehnhoff.

Wittko is niet erg ingenomen met de komst van deze vluchtelingen. Hij laat een aantal woningen aan de Langestreek ontruimen voor slaapplaatsen en biedt onderdak aan in de jeugdherberg. Maar hij wil wel van de indringers af. Tegen de avond heeft Wittko overleg met oud-zeekapitein Johannes Weber, de man die als loco-burgemeester optreedt op het eiland en tevens contacten heeft met het verzet.

De SD-groep uit Groningen moet naar de oostpunt van het eiland, besluiten Wittko en Weber. Als er al van de vaste wal wordt geschoten op de SD’ers, dan is het dorp in dat geval veilig. De volgende dag worden drie boerderijen gevorderd, de Kooiboerderij van Frank Talsma, de boerderij van Willem Visser en die van Holwerda. Daar zullen de ongenode gasten het nog ruim zes weken uithouden.

Voor Wittko is het een goede oplossing. Hij wil zelf de touwtjes in handen houden. Als een paar dagen later de SD’ers op eigen houtje op het eiland gaan patrouilleren geeft Wittko zijn soldaten opdracht een stuk geschut van de ‘Batterie’ bij het strandhotel op de Kooiplaats te richten. Wittko laat zijn gezag niet aantasten. Toch leidt de komst van de SD’ers tot een verhoging van de spanning op het eiland, waar het Duitse regime en de eilanders een stilzwijgende afspraak hebben elkaar het leven niet al te zuur te maken.

Verdwaalde kogel

Na de zondagse dankdienst in de kerk loopt de zestienjarige Baukje Meindersma door Birdaard. Er heerst een opgetogen stemming in het dorp. Een grote groep Duitsers heeft zich over gegeven en staat met de veters uit de schoenen op de Jislumerweg. Op het terrein van de zuivelfabriek aan de Wanswerderweg zijn de Canadezen in een feestelijke stemming. Baukje en haar vriendinnen wandelen met meer Birdaarders vrolijk over de Wanswerderweg in de richting van de zuivelfabriek. Ze willen op deze zonnige middag die stoere bevrijders wel eens van dichtbij bekijken.

Tegen vier uur horen de meisjes plotseling schoten en zien ze kogels inslaan op en naast de weg. Geschrokken duiken ze de berm in. Baukje voelt plotseling een hevige pijn in de buik. Er zit een gaatje in haar kleding ter hoogte van de buik. De wond daaronder bloedt niet zo erg, maar Baukje heeft een raar gevoel..

De Canadezen bij de zuivelfabriek hebben diep in het glaasje gekeken en onder invloed van drank hun geweren leeggeschoten. Een van de kogels heeft Baukje geraakt. Dat er geen doden vallen op de Wanswerderweg is eigenlijk een wonder. De vriendinnen halen hulp. Uit het dorp wordt een bakfiets gehaald met matras erop en Baukje wordt naar de Dokkumer Ee gereden, naar de vrachtboot van de familie Spijkstra. Er is immers geen auto in het dorp die Baukje naar het ziekenhuis in Leeuwarden kan brengen.

De bootreis naar Leeuwarden duurt lang, pas na tienen komt Baukje in het ziekenhuis aan. Het wondje op de buik is dan alweer dichtgegaan, zonder dat ze veel bloed heeft verloren. Uit haar darmen wordt een kogel verwijderd. Baukje zal bijna drie weken in het ziekenhuis blijven voor ze er weer bovenop is.

Aanslag te Murmerwoude.

Luttele kilometers verderop in Akkerwoude, is ook een kerkdienst aan de gang. Tegen drie uur nadert over de Achterweg een Duitse munitiewagen uit de richting Rinsumageest. Naast de wagen loopt de 51-jarige Geert Gerding uit het Drentse Peelo. Een eindje voor de wagen fietsen twee Duitsers en de Nederlander Arie Neuteboom uit Delft. Neuteboom is lid van het Nationalsozialistisches Kraftfahrerkorps (NSKK).

Gerding is in Drenthe met zijn paardewagen gedwongen de munitie te vervoeren. Achter op de wagen zitten twee vrouwen en er loopt een groep van twintig Duitsers en foute Nederlanders achter de wagen. Even na drieën bereikt de stoet de gereformeerde kerk in Murmerwoude.

Daar zitten zes mannen van de BS. Ze lossen een schot op de wagen. Met een daverende knal ontploft de munitie, de wagen vliegt de lucht in. Gerding is op slag dood, evenals vier Duitse soldaten. Een zwaargewonde Duitser ligt voor de boerderij van Tabe Antonides.

Een deel van de aangevallen groep vlucht naar de oude windmolen van het waterschap de Lege Miede. De twee vrouwen krijgen onderdak bij bewoners van de Achterberg. NSKK-man Neuteboom en de twee Duitsers die voor de wagen uit reden, fietsen snel een eind door en houden halt aan het eind van de Achterweg, tegenover de boerderij van Sjoerd van der Molen. Overal komen mensen naar buiten die de zware knal hebben gehoord. Neuteboom en de twee Duitsers schreeuwen de mensen op de weg toe dat ze moeten blijven staan. Fietsers worden staande gehouden. De toegestroomde buurtbewoners en de fietsers moeten een kring vormen rond de drie, die zich zo willen beschermen tegen een aanval van de BS. In korte tijd staan er tegen de vijftig mensen om het drietal heen. Boer Van der Molen ziet het allemaal gebeuren en waarschuwt de BS, die in de buurt is. Hij probeert te bemiddelen tussen Neuteboom en de verzetsmensen. Neuteboom en zijn kornuiten driegen de boerderij van Van der Molen met handgranaten in brand te steken. Ze gooien een handgranaat in een voorkamertje, maar er ontstaat geen brand..

Inmiddels zijn de Canadezen gewaarschuwd. Ze schieten uit hun pantserwagen over de samengedreven mensen heen. Een van de Duisters geeft zich over. De andere verdwijnt in de verwarring met Neuteboom, op de fiets in de richting van Akkerwoude. Dan zien de verzetsman Harmen Brouwer (23) uit Zwaagwesteinde en Jan Kaper uit Sint Jacobiparochie de beide vluchters voor zich opdoemen. Kaper en Brouwer, lid van de verzetsgroep Dantumadeel, springen met hun stenguns tevoorschijn en sommeren de twee te stoppen. Die beginnen met het wapen op het fietsstuur meteen te schieten. De twee BS’ers worden dodelijk getroffen. Neuteboom en zijn maat weten te ontkomen door Akkerwoude en Rinsumageest naar het Geastmer Fjild waar ze zich verschuilen in de boerderij van Jan Keulen..

Bij café Het Oude Tolhuis van Melle Jellema op Steenendam, de splitsing van de wegen naar Oudkerk, Birdaard en Rinsumageest, hoort de BS-groep waar Neuteboom en zijn maat zich hebben verschanst. De boerderij van Keulen ligt een paar honderd meter ten noordwesten van het café. De groep gaat er op af en sommeert de twee in de boerderij zich over te geven. Die zijn dat niet van plan. Pas als er hulp komt van Canadezen komt Neuteboom naar buiten. Hij doet alsof hij zich wil overgeven. Bauke Lyklema van de sabotagegroep wil hem ontwapenen. Neuteboom laat hem dichterbij komen en gooit dan onverwacht een handgranaat naar Lyklema, die dodelijk wordt getroffen. Neuteboom wordt meteen neergeschoten. De Duitser laat zich daarna nog niet zien. De Canadezen schieten de boerderij in brand. Tien koeien en het jongvee komen in de vlammen om. Later vinden de mannen het verkoolde lijk van de Duitser in de schuur.

Oostelijke helft Friesland bevrijd.

BS laat gevangenen uit Leeuwarder Huis van bewaring vrij.

Leeuwarden bevrijd.
Bij belegering door BS van fanatieke NSB-familie wordt dochter dodelijk gewond.

In Wijtgaard nemen met bijlen bewapende jongelui groepje Duitsers gevangen.

Achttien gevangen Duitsers uit Idaarderadeel opgesloten in Wirdum.

Sneek bevrijd. Zes Canadezen sneuvelen. Om 13.00 uur wordt Sneker BS uitgerust met overalls, oranje armbanden en bewapend. Gerucht dat Duitse troepen op komst zijn leidt tot opwerpen versterkingen bij Waterpoort. Niet Duitsers, maar Canadezen kwamen.

Gevecht bij Wellebrug tussen Woudender BS en Duitsers: Jacob Nagelhout van BS Woudsend sneuvelt, evenals zeven Duitsers. Brug door Duitsers opgeblazen.

Joure bevrijd.

Gevecht Canadezen en BS’ers tegen Duitsers bij Scharsterbrug. Tsjech Richard Jung, die uit Duitse dienst was gedeserteerd en lid geworden van de BS, sneuvelt.

Duitse ‘Schnellboot’ onderneemt verkenning bij Oostmahorn. Dorp vanaf Schiermonnikoog met zwaar geschut beschoten. Twee Canadezen sneuvelen. BS trekt zich terug op Anjum. Te hulp geschoten Canadezen slaan Duitsers terug: ongeveer 50 van hen sneuvelen, ruim 70 gewond, 175 gevangen.

Canadese verkenningseenheid uit Leeuwarden even in Franeker. Gevecht BS met Duitsers. Jitze Pieter van Dijk sneuvelt. Boerderij bij Kiesterzijl waar Duitsers veel fietsen ontdekken bestemd voor BS, in brand geschoten.

Bolsward bevrijd.

Staf BS Bolsward vestigt hoofdkwartier in Exmorra voor aanval op Makkum.



Twee doden bij festijn op Urk

De vissersplaats Urk wordt niet echt bevrijd, maar gewoon door de Duitsers verlaten. Ze vertrekken met hun boten en ’s avonds om elf uur neemt commandant C. Heetebrij van de BS het commando over. De volgende dag viert het volk zijn woede bot op enkele moffenmeiden. De meisjes worden uit hun woningen gehaald en door de woedende menigte door de nauwe straatjes gevoerd. Een jonge wachtmeester van politie tracht de menigte tot bedaren te brengen door met zijn pistool in de lucht te schieten. Maar zijn hand wordt weggedrukt. Het schot gaat af en de 26-jarige Jan Hakvoort wordt dodelijk getroffen. Dezelfde kogel treft ook de 25-jarige Klaas Kapitein. Hij wordt naar het ziekenhuis gebracht en overlijdt daar twee weken later. Gevangenis en politiebureau in Leeuwarden kunnen niet alle politieke gevangenen bergen, die nog steeds worden gemaakt. Het Stedelijk Gymnasium en de scholen aan de Arendstuin en de Speel-mansstraat, die enkele dagen eerder nog als Duitse hospitalen dienst deden, worden als kampen ingericht. Ook bij de vliegbasis worden NSB’ers opgesloten.

Makkum nog midden in het krijgsgewoel

De Duitsers zijn nu bijna uit heel Friesland verdreven. Ze hebben zicht teruggetrokken op en bij de Afsluitdijk. De dorpen in dit gebied liggen midden in de frontlijn. Tijdens de zware beschietingen moeten de Makkumers van de Duitsers binnen blijven. Tot ze een uurtje de tijd krijgen om wat dingen te regelen: boodschappen te doen, dieren te verzorgen of wat dan ook. De beschietingen rond het dorp zijn een dag eerder begonnen en iedereen heeft het bevel gekregen binnen te blijven. De Makkumer vrouwen maken – mannen moeten binnen blijven – gretig gebruik van de adempauze. Wat vooral opvalt, zijn de velen die snel even hun poeptonnetje in de gracht legen.

Koudum snel bevrijd

Koudum wordt zonder slag of stoot bevrijd. De Duitsers hebben zondag daarvoor de brug bij de Galamadammen laten springen, evenals het tolhuis van Jan de Bos, die niet thuis was. De arbeider, die er wel was, heeft gedaan gekregen dat hij het vee uit de schuur naar een veiliger plaats mocht brengen. Veel Duitsers waren er niet meer; die hadden de dagen ervoor bij nacht en ontij mensen uit bed gebeld om te vragen welke kant Lemmer op was. Dus de Canadezen trokken verder. Eize de Vries uit Warns: „Einliks wie it mei de Kandezen sa: ynienen wienen se der en se wienen ek samar wer fuort”.

Foute politieman Mous geëxecuteerd

Bijna drie maanden na de executie van twintig gevangenen door de Duitsers klinken, om zes uur in de morgen, opnieuw schoten in het weiland aan de Woudweg in Dokkum. Een drieman sterk NBS-vuurpeloton, Sake Antionides, Yde Pranger en Theun Prins, voltrekt vier dagen na de bevrijding van Dokkum het doodvonnis over peter Mous, de 48-jarige onderluitenant bij de gemeentepolitie. Acht opgepakte landwachters worden gedwongen de executie bij te wonen. Prins vuurt nog een kogel af op al gevelde Mous. „Dit is foar myn broer”, zegt hij. Die broer was in 1944 geëxecuteerd.

De NSB-politieman die in de oorlogsjaren in Tjalleberd en later als groepscommandant in Wommels werkte, werd begin 1944 door het verzet in Hennaarderadeel aangeklaagd bij het Veemgericht in Leeuwarden. Het oppakken van verzetsmensen en onderduikers door de foute politieman is voor de geheime rechtbank aanleiding hem ter dood te veroordelen. Het vonnis zal door middel van de kogel worden voltrokken, zo is de politieman schriftelijk meegedeeld. Twee leden van de KP in Sneek krijgen opdracht Mous te liquideren.

Mous verdween kort daarop naar de SD in Groningen. Toen hij wist dat het verzet op hem loerde, nam hij op de veertiendaagse reizen naar huis steeds een andere route. Pogingen om de rooms-katholieke Mous na kerkbezoek in Roodhuis om te brengen mislukten, evenals een aanslag op de brug tussen Spannum en Wommels. In januari 1945 werd Mous commandant van het gemeentelijk politiekorps in Dokkum. Een overplaatsing die hij te danken had aan zijn Duitsgezinde vriend, majoor Oosterhof. In Dokkum maakte Mous de terechtstelling van de twintig gevangenen aan de Woudweg mee. Hij kon er geen traan om laten. Het waren immers voor het merendeel gereformeerden en dus terroristen, laat hij een ondergeschikte weten.

Op 14 april wordt Mous uit zijn woning aan de Bronlaan in Dokkum gehaald en gevangen genomen, nadat een politieman in Dokkum de dag ervoor heeft verhinderd dat hij met enkele landwachters naar Holland vlucht. Dinsdags beslist districtsoperatieleider Dirk Humalda, de latere burgemeester van Hemelumer Oldeferd, dat het vonnis van het Veemgericht de volgende morgen alsnog moet worden uitgevoerd. Nog dezelfde avond wordt Mous op de hoogte gebracht, een paar uur later zijn vrouw en kinderen. Vier landwachters worden nu op deze morgen gedwongen een lijkkist van de Markt in Dokkum naar het weiland aan de Woudberg te brengen. Na de begrafenis vuren de NBS-mensen nog een paar saluutschoten af boven de graven van een omgekomen verzetsman uit Dokkum en de twintig terechtgestelde gevangenen.

Verkoolde Duitsers op de Afsluitdijk

Het 13e Canadian Field Artillery Regiment begint de dag met een artilleriebeschieting. De troepen rukken uit Bolsward op naar de kop van de Afsluitdijk, waar de Duitsers zich hebben verschanst. Het grove geweld is een antwoord op een actie van de Duitsers, een dag eerder. Twee Canadezen zijn gewond geraakt toen ze zich vertoonden, nadat uit de Duitse stellingen een witte vlag omhoog werd gestoken. De brencarriers die de Canadezen daarna naar de Afsluitdijk hebben gestuurd, zijn door de Duitsers onder vuur genomen met pantservuisten. Er vallen doden. Van de gewonden die naar Sneek worden overgebracht, overlijden ook nog een paar mannen.

De Canadese beschieting breekt nu het verzet op de kop. Om tien uur vallen de eerste granaten, daarna rukken tanks op in de richting van de kop, die door de Duitsers is veranderd in een fort van prikkeldraad, betonversperringen, bunkers en mijnen. Om drie uur ’s middags is het begin van de Afsluitdijk in Canadese handen. Als Sybren Tilstra uit Wons zich een paar dagen later voor het eerst met een paar vrienden in de richting van de kop van de Afsluitdijk waagt, blijkt welke tol de vlammenwerpers hebben geëist. Her en der ziet hij de stoffelijke overschotten van Duitsers, hun gezichten blauw opgezwollen. Uit een sloot steekt het verkoolde onderlichaam van een Duitser: in doosnood in het water gesprongen.

Op de kop zelf is het een totale chaos. Het tankstation van Arjen den Breejen is zwaar beschadigd. Overal liggen lijken. Dit is het helemaal: een ongeschreven jongensboek. Ze struinen rond tussen de puinhopen, scharrelen munitie op en nemen het mee naar huis.

Joost Salverda, ook uit Wons, vindt het allemaal spannend. Van een dode Duitse soldaat neemt hij een zilveren mes en vork mee, waarmee hij nog jaren zal eten. Ergens vindt hij twee grote platte kazen, die hij met een eindje touw vastbindt op de bagagedrager van een nagelnieuwe fiets zonder banden. Op de velgen rijdt hij terug naar Wons. „Der wie oars neat te belibjen, dat foar us wie itin sensaasje. Hoe gekker it gong, desto moaier fûnen wy it. Doe’t wy thus kamen, joech us heit my in skop ûnder de bealch, mar mem wie wiis mei de tsiis”. Terug in Wons weten de jongens wel raad met de gevonden munitie. Een enkeling probeert een stengun uit in de slootwal. Ronduit geliefd is het spelletje om geweerkogels in een paaltje te drijven en met een spijker op het slaghoedje te slaan.

Makkum onder vuur

Van een paar kilometer afstand nemen de Canadezen nu ook Makkum onder vuur, waar de Duitsers zich, net als op de kop van de Afsluitdijk, hebben teruggetrokken. Canadese mortieren staan onder meer opgesteld op de dijk bij Gaast. Het is druk op de dijk en het publiek leeft mee. Treft een granaat Makkum, dan klinkt er een gejuich op. Belandt het projectiel in het water is er teleurstelling. Sommigen zien de groeiende stofwolk boven het dorp met gemengde gevoelens aan. Hoeveel slachtoffers zouden er al gevallen zijn?

In het centrum van Makkum is het gieren van mortiergranaten niet van de lucht. In de Vermaningsteeg, in de kelder van de buren, zit Arendje Poog, twaalf jaar oud, te wachten op de bevrijding. Met zijn zevenen zijn ze, het hele gezin van de buren zit erbij. Arendje verbaast zich over het buurmeisje, dat anders zo grof in de mond kan zijn. Moet ja haar zien, ze zit te bidden.

Een huis verderop ligt moeder Fenna Poog in de bedstee. De geboorte van haar kind is aanstaande.

Bijstand is er van tante Trien, die een paar dagen eerder is overgekomen uit Amsterdam, en Ruurdje de Witte, een inderhaast opgetrommelde baakster. Vader Jan kijkt toe. Wat kan hij meer doen? Hoe verzin je het: Makkum davert onder de granaatinslagen en hier is een bevalling aan de gang. Ruiten sneuvelen onder de explosies. Vader Jan maakt zich breed voor de bedstee om te voorkomen dat de glasscherven naar binnen komen. Als tegen twaalven de bevalling achter de rug is, loopt hij naar buiten om te kijken hoe het bij de buren is. Hij schrikt: een explosie heeft het hele achterhuis van de buren doen instorten. „Leven jullie nog of zijn jullie al dood?”, roept hij vertwijfeld. Zijn vrees wordt niet bewaarheid: de familie is ongedeerd; de kelder ligt onder het voorhuis. Tegen drieën stoppen de beschietingen. Er valt een diepe stilte over het dorp. In de verte klinkt gejuich. Het komt van de zuidkant van het dorp, waar de eerste Canadezen zich in de straat vertonen. In de Kerkstraat ziet Jentje Hoeksema een soldaat de straat inkomen, zijn wapen in de aanslag, zijn gezicht druipend van het zweet. Hij wordt gedekt door soldaten aan het eind van de straat en verdwijnt in de richting van de Buren. En dan zijn er ineens de brencarriers en de mannen van de ondergrondse. Duitsers worden gevangen genomen. Hun geweren worden in beslag genomen en van de grendel ontdaan, de patronen vallen zo op straat.

Aan het Vallaat hoort de familie Horjus, die een goed heenkomen heeft gezocht in de alkoof, geschuifel in de kruidenierswinkel. Vader Horjus neemt poolshoogte. Het geschuifel blijkt afkomstig van vier Canadezen, die al snel aan de pannekoeken zitten die moeder heeft gebakken. In de deuropening van de winkel staat een brengun. Bijna terloops, zonder te richten, schiet een Canadees, de pannekoek nog in de hand, een Duitser neer die aan de overkant van het water loopt. Het gerucht doet de ronde dat de Duitsers Makkum onder vuur zullen nemen vanuit de bunkers van Kornwederzand. Jan Poog bedenkt zich niet: zijn gezin moet in veiligheid worden gebracht. Bij een visser in het dorp leent hij een handkar. Moeder Fenna wordt met matras en al uit de bedstee getild en op de wagen gelegd. Tegen een uur of vier vertrekt het gezin naar de Grote Zeilroede, waar beppe woont. De pasgeboren Arend huilend in een kinderwagen. Zelf kent hij het verhaal enkel uit overleving. „Ik heb wel een week liggen schreeuwen”.

Negen burgerslachtoffers en de enorme ravage in het dorp maken dat de stemming nauwelijks uitgelaten is. Toch is er iets van een feest: het is druk op straat. De Makkumers feliciteren elkaar. Canadese soldaten delen snoep uit aan de dorpsjeugd. Een dokterszoon Lucas Bogstra maakt een soort wederopstanding mee. Hij staat zich te vergapen aan de Canadezen als hij uit de verte zijn vader ziet aankomen. Die was anderhalve week eerder voor de Duitsers gevlucht. Nu is hij terug, een wuivende verschijning op een fiets met rammelende velgen.

Wapenles aan NBS’ers

„Nicht gut”. De instructeur in het voormalige landwachterscafé De Benthem aan de Diepswal in Dokkum schudt zijn hoofd. Hij moet de nieuwe lichting Binnenlandse Strijdkrachten, veelal jonge Dokkumers, leren om te gaan met buitgemaakte Duitse wapens. Wagner, zo heet de instructeur, ziet er onooglijk uit. Zijn zwartgrijze streepjesbroek heeft betere tijden gekend op kansels in Noordoost Friesland. „Dy broek het Wagner fan de dûmnee út Ingwierum”, weet Dokummer Max Posthuma. Dat is best mogelijk want de instructeur heeft enige jaren deel uitgemaakt van de bezettingsmacht op Dokkumer Nieuwe Zijlen. Een paar dagen voor de bevrijding is hij ondergedoken. Wagner weigert nog langer te vechten. In een polderhuisje in de kwelder heeft Wagner zich enige dagen schuilgehouden. Op de avond van de bevrijding komt hij tevoorschijn. Een vreemdeling, een zwerver, denken velen. Zij schenken geen aandacht aan hem. Dan gaat de Duitser een huis in Engwierdum binnen. Nu zijn landgenoten weg zijn wil hij zich melden bij het wettig gezag.

Het verzet wil maar al te graag een goed woordje voor Wagner doen. De Duitser heeft immers een oogje dichtgedaan toen de BS wapens per boot aanvoerde. Hij heeft de kerkeraad gewaarschuwd voor een razzia bij het uitgaan van de kerk. En Wagner heeft er ook voor gezorgd dat onderduikers en joden op tijd weg waren uit hun schuilplaatsen, zodat de Duitsers en landwachters achter het net visten.. Een paar dagen later is Wagner instructeur van de Binnenlandse Strijdkrachten. Een hele goeie, vinden de Dokkumers. Maar waar ze niet aan kunnen wennen, is die streepjespantalon.

Vrijheidsliederen: de Volksstem

Direct na de bevrijding klinken er op veel plaatsen bevrijdingsliederen op een populaire melodie. Zo zingt Dokkum op de wijze
‘Lippe Detmold ist ein wunderschöne Stadt’:

Dokkum’s wallen jubelen het luide uit,
de landwacht zit in ’t nauw;
NBS paraat zoo kwiek en onvervaard
gaf hem de laatste knauw
Was de strijd ook heet ze week er niet
Geen der schoften die ze ontkomen liet
Toen kwamen de Canadezen
Niet vierden wij zoo feest.

Op de wijze ‘En de Boeren hebben overwonnen’

Een klank doortrilt landdouw en stad:
Ons Neêrland is weer vrij!
Het mofgebroed heeft uitgewoed,
weg is de dwinglandij.
Met Hitlers grootspraak is ’t gedaan;
Der Schweinhund is kaputt.
En met hem heel de nazikliek;
hun koppen zijn bebloed (bis)
Daarom een juichkreet aangeheven,
voor Rooseveld, Churchill, Stalin!
De vrijheidsheld die liet het leven:
Hem eren wij en Wilhelmien.

Op de wijze van: ‘Sarie Marijs’.

De Volkerenkrijg joeg ons de stuipen op ’t lijf
Toen de mof ons liep onder de voet;
Holland trapte op het hart toen ’t zijn nek hield zo stijf
En in moordlust liet stromen ons bloed
Maar na duist’re nacht brak een lichtstraal door
Dageraad van vrijheidsgloor
Trof ons mart’ling, leed en rouw
Het volk dat nimmer bukken wou
Zwoer biddend Oranje trouw.

EPILOOG

De laatste dagen op Schier

Zelfs op 5 mei wil eilandcommandant Wittko van Schiermonnkoog nog niets van overgave weten. Johannes Weber, contactpersoon namens de eilanders, overlegt met Wittko. Weber zegt dat hij het bericht van de Duitse capitulatie op de BBC-radio heeft gehoord. „Nee”, zegt Wittko, „het gaat om een wapenstilstand voor de grote steden”. Hij wil weten waar Weber het verhaal heeft gehoord. „Op mijn eigen radio”, zegt Weber.

Wittko is oorlogsmoe. Hij heeft net vernomen dat zijn vrouw en twee kinderen bij het bombardement van Dresden zijn omgekomen. Twee dagen later, op 7 mei, draagt hij het bestuur van het eiland over aan Weber. „Steekt u de vlaggen maar uit”, zegt Wittko.

Weber neemt door de inmiddels herstelde telefoonlijn contact op met de waarnemend commissaris der koningin Haan in Leeuwarden. Nog niet vlaggen, is het besluit. Gevreesd wordt dat de SD’ers bij de Kooiplaats dan geweld zullen gebruiken

Boer Frank Talsma van de Kooiplaats ziet dagelijks de bende in en rond zijn boerderij. De SD’ers hebben er een vesting van gemaakt. Er wordt stevig gedronken en onderling ruzie gemaakt. Talsma mag elke dag naar de boerderij komen om de koeien te melken en in zijn eendekooi te werken.

„Als de Canadezen komen zullen wij ons tot de laatste man verdedigen”, krijgt de boer te horen. Op een dag ziet Talsma dikke rookwolken achter zijn boerderij. De SD’ers verbranden stapels papieren, maar ook gloednieuwe kleren, schoenen en andere zaken die ze in Groningen hebben gestolen.

Het blijft verder opmerkelijk rustig op het eiland. Er is steeds stroom en er varen af en toe schepen naar de wal. Op 23 mei is echter nog een reisverbod van kracht. Waar blijven de bevrijders. Op 25 mei kan Weber Herman Kloppenborg een belangrijk man uit het verzet, op het eiland begroeten. Weber weet wie hij is, voor anderen is Kloppenborg een rijksambtenaar. Het wordt duidelijk dat de bevrijders aarzelen om de SD-post in de Kooiplaats aan te pakken. Er is vrees voor een uitbarsting van geweld die eilanders het leven kan kosten. Een paar dagen later komt Kloppenborg opnieuw naar het eiland, nu in majoorsuniform. Hij weet de SD-commandant er toe te bewegen zich over te geven. Op 31 mei vertrekt de gevreesde groep met de Brakzand en de reddingsboot Insulinde naar Zoutkamp. Daar worden Lehnhoff, de beul van het Scholtenshuis en de Nederlandse oorlogsmisdadigers Frans Lammers, Jan Ale Visser en de gebroeders Faber gearresteerd. Zes mannen van de SD-groep van de Kooiplaats zijn later na een proces geëxecuteerd. Thomson, de beul van de Veluwezoom, pleegt zelfmoord in de Scheveningse gevangenis. Van de zeshonderd Duitse soldaten die er dan nog zijn, heeft niemand last. Zij hebben geen slechte tijd gehad op Schier en de eilanders laten hen met rust. Op 1 juni vieren de eilanders een groot bevrijdingsfeest.

Tien dagen later, op 11 juni, marcheren de zeshonderd Duitsers af naar de boten Waddenzee en Brakzand die hen naar Oostmahorn brengen. Vandaar gaan ze naar het krijgsgevangenkamp in Beerta. „Auf wiedersehen”, zeggen sommige soldaten. Op 12 juni vinden de Canadezen in de duinen bij de Kooiplaats pakketten met ruim ƒ 100.000 aan bankbiljetten en kostbaarheden als trouwringen, gouden oorhangers en andere sieraden, de oorlogsbuit van de SD. Tot vandaag toe zijn er eilanders die geloven dat er nog meer kostbaarheden zijn te vinden in de duinen. Van de bezetting resten alleen nog een paar verwoeste bunkers. Het Schleidorp, een ge-camoufleerde radarpost met eigen spoorweg en onder andere een bioscoop, verscholen in de duinen, is kort na de oorlog gesloopt. Van de stelling Wasserman is een uitkijkpost gemaakt voor de toeristen.

Bezoektijd in Metslawier

Levensmiddelen of sigaretten, nee die zaken hoefden de gevangen genomen landwachters en NSB’ers in het voormalige Oostdongeradeel niet. Dat valt op te maken uit het volgende bericht van de staf van de BS in Noordoost Friesland: „De familie van personen welke zich thans te Metslawier in arrest bevinden, kan om de veertien dagen, des vrijdags van 10-12 uur officiële tijd, aan het bureau van de BS te Metslawier schone kleren brengen. Het zenden of brengen van levensmiddelen, rookwaren enz is niet toegestaan”.

‘Noordoost-Friesland stank voor dank’ oftewel: te weinig eerbetoon aan NBS. Een ingezonden stuk uit noodeditie van de Nieuwe Dokkumer Courant. „Mei 1940: Mobilisatie. De Hollandse soldaat wordt door de Hollandse meisjes, de goede niet te na gesproken, minachtend bekeken! Te weinig zakgeld? 10 Mei 1940: Zodra de moffen er zijn geven helaas te veel meisjes en vrouwen, zelfs wier broer, verloofde of man in de oorlog gesneuveld zijn, zich aan deze zwijnen. Lokte het geld en de sentimentele taal? 14 April 1945: De illegale strijders bevrijdden ons van de moffen, waarom werden deze niet met vreugde onthaald, gelijk de Canadezen? Of was dit om de chocolade en sigaretten. Want het is wel heel zeker, dat bij een groot gedeelte de materialistische zijde een grote rol speelt. Nu kan men wel zeggen ingeval de Canadezen er niet geweest waren, dan had de illegaliteit niets kunnen beginnen. Dit neemt echter niet weg, dat in Friesland heel veel door de illegalen snel en degelijk, zonder vernielingen bevrijd is.

Waar bleef de hulde? Neen, geen hulde, men probeert hen zelfs neer te halen! Dezer dagen hebben de mannen wat sigaretten ontvangen waarvan door iemand werd gezegd: „Die krijgen natuurlijk weer te roken en wij kunnen maar toezien, terwijl wij ook al zolang niets gerookt hebben”. Waarom wordt hen dat niet gegund?

Een tweede kankerpittenontmoeting had ik, toen juist een NBS-man enkele personen aanhield voor controle of zij wel of niet 6 km buiten de gemeente waren. Volgens deze kankerpitten: „Moet je zien wat een verbeelding ze krijgen en hebben zowat niet eens gevochten, maar op andere plaatsen wel en daar hebben ze meegeholpen. Daarbij komt dat de mannen van tevoren niet wisten wat voor een strijd hen te wachten stond. Terwijl zij daarvoor al enkele jaren, neen, van het begin van de oorlog af, al in gevaar zijn geweest door hun illegale werk, zodat ik voor hen meer respect heb dan voor hen die in twee sloten springen als er een paar Duitsers aankwamen waarvan op dat moment geen gevaar te duchten was. Nu hebben diezelfden het grootste woord. Gelukkig zijn niet allen zo maar toch blijft de vraag: Wanneer gaan de Hollandse vrouwen, meisjes, mannen, jongens, de daden door Hollanders volbracht respecteren? Of moet de NBS eerst spek uitdelen, wil zij in achting stijgen. Laat niet het gezegde gebezigd moeten worden: stank voor dank”.
(Bericht noodeditie Dokkumer Courant)

LEEUWARDER KOERIER:
De Duitsche troepen in Nederland, Denemarken en N.W.-Duitschland

HEBBEN GECAPITULEERD

Spertijd op Ameland

Het is een stralende morgen (vermoedelijk 22 april) als de 21-jarige Amelander PTT-beambte Wim de Boer van Hollum naar Nes fietst. Op zich niets bijzonders. Het komt wel vaker voor dat hij voor zijn werk in Nes moet zijn. Wie beter ziet ontdekt toch een verschil. Om de rechtermouw draagt de Hollumer een band met de tekst NBS. De fietstocht lijkt een roekeloze daad van een overmoedige twintiger. Friesland mag dan bevrijd zijn, op Ameland zijn de ruim vijfhonderd zwaar bewapende Duitsers nog steeds de baas.

„Van een roekeloze daad was geen sprake. Ik moest op last van oud-marineman en verzetsleider Tjip Nagtegaal de telefooncentrale in Nes bezetten”, herinnert De Boer zich. Nu Friesland bevrijd was, moest niet een Duitsegezind voormalig liefje van de Duitse commandant op het eiland de belangrijke verbinding met de wal bemannen. Om negen uur stapt hij het kantoor binnen en vertelt de postkantoorhouder dat hij de centrale overneemt. De kantoorhouder kijkt verschrikt en wil protesteren. Die kans geeft De Boer hem niet. Hij gaat aan het werk en maakt de eerste verbinding. De centrale heeft voor hem geen geheimen. In Hollum had hij al eerderde boel gesaboteerd zonder dat de Duitsers er iets van hadden gemerkt. Om over weggemoffelde brieven maar te zwijgen.

Een uur lang denkt hij dat de Duitsers zijn actie voor lief nemen. Dan stormt luitenant Petrowitz, een Joegoslaaf in Duitse dienst, de centrale binnen. Hij grijpt zijn pistool en bedreigt de Amelander. ‘Sofort verschwinden’ of de kogel dat was de keuze. Beide voorstellen komen De Boer „niet goed uit”. „Hoe ik het toen had weet ik niet, maar ik blafte zowaar nog harder en maakte hem duidelijk dat de NBS op Ameland de civiele taken van de Duitsers had overgenomen”. En als hij het niet wilde geloven dan moest hij maar eens bij de bunkers in Hollum (de huidige jeugdherberg) gaan kijken. Daar moeten de Duitsers ook burgertaken afstaan. Het schrikt Petrowitz kennelijk af want hij verlaat vloekend het kantoor. De eenmansactie was gelukt, al was het op het randje.

Als op 5 mei Nederland de bevrijding viert, zucht Ameland nog onder het juk van zwaarbewapende Duitsers. Een idiote en gevaarlijke situatie. De Duitsers weten dat ze de strijd verloren hebben, maar kunnen op Ameland moeilijk afscheid nemen van hun macht. De duinen en het strand blijven verboden gebied en de spertijd blijft gehandhaafd.

De Duitsers zijn die meimaand onberekenbaar. Om het minste of geringste dreigen ze iedereen dood te schieten die op hun weg komt. Het ‘Ausweis bitte’ is niet van de lucht. Veelal onder invloed van alcohol. De gespannen toestand dreigt uit de hand te lopen als in de nacht van 4 op 5 mei door beschietingen vanaf de vaste wal vier Duitse militairen worden gedood. Gelukkig worden geen represailles tegen de Amelanders genomen en de Duitsers laten ook de ondermijnde veerdam ongemoeid. Toch krijgt Ameland op 8 mei van NSB-burgemeester Bouk Bakker toestemming om te vlaggen. Frans Kienstra laat zich dat geen tweemaal zeggen en plant de nationale driekleur op de Nesser toren. Maar de gewapende Duitsers blijven het straatbeeld bepalen ook al gaan er steeds meer boten naar het vrije Holwerd. Op zondag 3 juni is het dan eindelijk zover. De Duitsers, die de laatste weken vooral bivakkeerden in Excelsior bij Nes, stappen aan boord van de Waddenzee en worden naar Holwerd gebracht. Kapitein Teun Matroos neemt op de terugreis de nieuwe burgemeester Roel Walda en diens gezin mee.

Terschelling

Op 4 mei 1945 om half negen ’s avonds wordt op Terschelling het radiobericht ontvangen van onvoorwaardelijke overgave van alle Duitse legers in Noordwest Europa. Actief verzet is er tijdens de oorlogsjaren op Terschelling nooit geweest, maar nu roept districtscommandant David Smit van de ondergrondse zijn mede-verzetsleiders bij elkaar. Meteen daarna volgt overleg met Insell-commandant Bernard. Die heeft van de overgave nog geen officieel bericht ontvangen en doet daarom geen toezeggingen. De volgende dag kondigt Bernhard echter een ‘Waffenruhe’ af. Voor de eilanders betekent dat voorlopig geen verandering. De Wehrmacht houdt de verantwoordelijkheid voor rust en orde op het eiland. Smit sluit zich daarbij aan, getuige een verklaring van 5 mei, waarin hij aankondigt dat de Terschellingers voorlopig hun huizen moeten blijven verduisteren als voorheen en dat de cafés gesloten blijven. Het aanhouden van NSB’ers en het optreden tegen Duitse soldaten wordt verboden.

De Binnenlandse Strijdkrachten op het eiland hebben maanden geleden al wapens ontvangen, maar de mannen kunnen er niet bij. Negen kisten met stenguns en geweren, in januari aangevoerd door een beurtschipper tussen een lading aardappelen, zijn verborgen in het waterstaatskantoor aan de Willem Barentzkade. Dat gebouw is echter kort daarna gevorderd door de Duitsers Als de Insellcommandant op maandagmorgen 7 mei de NBS toestemming geeft het gebouw over te nemen, is het vermaak van de verzetsmensen groot. Onder aanvoering van districtsleider Piet de Jong, die zelf bij waterstaat werkt en de wapens heeft verborgen, lopen de BS’ers doodleuk naar binnen en halen onder de ogen van de verbouwereerde Duitsers hun wapens tevoorschijn. „Nu weet ik waarom je ons altijd zo behulpzaam bent geweest”, zegt een van de soldaten tegen De Jong. Tegen twaalven verschijnen, onder luide toejuichingen van de bevolking van West, de eerste gewapende BS-patrouilles op straat. Het blijft bij één rondje. De Duitse commandant maakt er een eind aan. Tot de geallieerden voet aan wal zetten, verbiedt hij de BS’ers zelfstandig te patrouilleren.

De rest van de maand mei lopen er Duits-Nederlandse patrouilles over het eiland. Elk met eigen wapens, de Terschellingers voorop, zodat de Duitsers hen in de gaten kunnen houden. Het is niet de bevrijding zoals de BS zich die had voorgesteld, en ook de rest van de eilanders kijkt vol ongeduld uit naar de werkelijke bevrijding. Elke dag rijdt uit Formerum een vrachtwagen vol dorpsbewoners naar West om te kijken of de Canadezen er al aan komen. Jaap Bos, achttien jaar oud, is er bij. „Elke dag hadden we iets van: vandaag komen ze”. Als op 29 mei eindelijk een landingsvaartuig met zestig Engelsen komt aandobberen, is de lol er al een beetje af. Niettemin ziet het op de kade zwart van de mensen als de Engelse ‘Jaffa Force’ , genoemd naar het sinaasappeltje dat de soldaten als embleem voeren, het dorp in marcheert .

Twee dagen later begint het inschepen van de ruim duizend Duitsers in de haven van West-Terschelling. De bezetters zullen op zogenaamde voorpostboten worden afgevoerd naar Wilhelmshaven. De Duitsers bivakkeren op de boten. Ze mogen enkel aan wal en terug aan boord als ze hun papieren laten zien en het netjes vragen.

Op 3 juni slaat de vlam bijna in de pan. Een jonge Duitse officier, die zich weinig gelegen laat liggen aan de regels van NBS, betreedt de loopplank van een van de boten. De BS-schildwacht vraagt naar zijn papieren. „Lik m’n reet”, zegt de Duitser. De NBS’er haalt de trekker van zijn stengun over Die staat afgesteld op automatisch vuren, zodat de Duitser een stuk of zes kogels in zijn dijbeen krijgt. Woedende Duitsers bemannen dan de kanonnen op de schepen en richten op het dorp. De NBS’ers trekken een sprint naar de voormalige burgemeesterswoning waar ze hun hoofdkwartier hebben ingericht, springen over de tuinmuur en hebben in een oogwenk twee brenguns opgesteld.

Binnen heeft Piet de Jong de schoten uit de stengun gehoord. Als hij buiten komt, liggen de BS’ers al achter de tuinmuur met hun wapens op scherp. Cor Swart, die ook naar buiten is gekomen, schreeuwt naar de Duitsers dat ze aan boord rustig moeten blijven. Langzaam komen de gemoederen tot bedaren en hernemen de dagelijkse zaken hun loop. Twee dagen later vertrekt de laatste Duitser van het eiland.

Een eilandbaby

Op 28 april bevalt Florentine Rost van Tonningen-Heubel te Formerum van haar derde zoon, Herre. Rost van Tonningen is twee weken eerder naar het eiland gekomen, op de vlucht voor de oprukkende geallieerden. Ze vindt onderdak op nummer 37 te Formerum, in het voorhuis van de weduwe Bloem. Op 17 april had ze haar komst aangekondigd in een brief, waarin ze ook om een baker verzoekt. „’t Liefst had ik natuurlijk dat U mij enkele weken zoudt willen verplegen”, schrijft ze. Dokter Matthijsen uit Midsland helpt Rost van Tonningen bij de bevalling. Daarna worden moeder en kind verpleegd door de baker Neeke Roos uit Hoorn. Die acht zich van haar taak ontheven als het bericht van de bevrijding komt. „Noe bin ik eak fry”, zegt zij in vloeiend Aasters, pakt haar biezen en keert niet weer terug.

Op 10 mei vertrekt Florentine Rost van Tonningen van het eiland, zenuwachtig en grote haast, maar ongehinderd door de bevolking. De buren helpen haar op weg. Door een auto van het Rode Kruis wordt ze naar de haven van West-Terschelling gebracht, waar ze inscheept en vertrekt met onbekende bestemming. Zelf geeft Rost een heel andere lezing van haar vertrek. Uit haar biografie komt het beeld naar voren van een kleine volksopstand voor het huis te Formerum, waaruit zij slechts met hulp van een legerarts het vege lijf weet te redden. „Hij reed pardoes in de menigte, gooide mijn kinderen en mij in zijn wagen en zeide mij: „Hier is niet meer uit te komen, wat wilt u, hier vermoord worden op straat of ... bij onze vloot”. Die zelfde arts zou haar een ampul vergif hebben gegeven zodat zij zichzelf in grote nood van het leven zou kunnen beroven. Hoe dan ook: ze vlucht.

Flippie fluweel

Burgemeester F.C. Rab van Vlieland, een geboren eilander, komt uit een opmerkelijke familie. Hij woont in een huis met zijn vier oudere broers, allen oud-kapiteins, en een zuster. Niemand van hen is getrouwd. Rab is bemind en gul, niet te beroerd om uit eigen zak nieuwe instrumenten voor het muziekkorps te betalen of alle korpsleden een borrel aan te bieden bij optochten. Hij lust er zelf ook wel een. Geen branieschopper, geen NSB-lid. ‘Flippie Fluweel’ noemen ze hem. Hij regeert over een eiland met zo’n vijfhonderd bewoners en minstens duizend Duitsers, die de twee luchtdoel-batterijen bemannen. De verhoudingen tussen de Duitsers en de Vlielanders zijn in het algemeen goed. De Duitse jachtopziener is gevaarlijk, want die pakt je als hij je bij het stropen betrapt. Maar verder? Anton Wever, die in 1941 als timmerman uit Harlingen naar Vlieland is gekomen en er later ook ijs verkoopt, vindt het gemoedelijk. Ja, er verdwijnt eens wat bouwmateriaal, of olie uit de trekkers, maar dat is logisch. Die olie brandt immers best in een petroleumstel. Alleen krijg je er een harde kous van.

En er is vaak feest in Badhotel Bruin. De Duitsers hebben eigen orkestjes, of ze vertonen films, en iedereen is welkom. „Ik ha der nea west”, zegt Grietje Annema. „Wa giet nou nei de Duitse film mei de Duitsers?” Zo denkt niet iedereen. „De hele dag zat er een strijkje”, weet Anton Wever. „En ’s avonds droegen ze dubbele plateaus vol glazen door de zaal.”. Genoeg vertier voor het hele werkvolk. „Je wilde toch niet de hele avond met de voeten onder de tafel zitten”, zegt Wever. Gefreiter Siegfried Muller, geboren in Oostenrijk, zit sedert 1943 bij de Luftwaffe op het Vlielandse station Eisvogel, op de hoge Vuurboetsduin.

Hij houdt een dagboek bij. Op 4 april is het gebulder van Texel duidelijk te horen, waar Georgiërs in Duitse krijgsdienst in opstand zijn gekomen tegen de Duitsers. „Dit werd in de eerste tijd als bagatel afgedaan, en nu, op de derde dag, is deze bagatel ondanks de zware wapens nog niet afgewikkeld. Dat is een drama, waarover we allemaal ons hoofd schudden”. Jan Annema, die in die dagen pieren spit op het wad, ziet met blote oog dat het op drie, vier plaatsen op Texel brandt. Op donderdag 12 april doet Muller verslag van een tocht naar de wal. Hij is dinsdag met de boot vertrokken en op de fiets naar Leeuwarden gegaan. De Duitsers die hij onderweg treft zeggen dat ze „de toestand als hopeloos beschouwen”. In het Wehrmachtsheim in Leeuwarden eet hij met een landgenoot uit Wenen, die plotseling zwijgend naar een foto van zijn vrouw en kinderen staart.

Maandag 16 april 1945. „De hele dag horen we al het artillerievuur uit de richting van Harlingen en de Afsluitdijk”, noteert Gefreiter Muller. „We zijn dus echte Robinsons geworden!” Op zaterdag 21 april 1945 beschrijft Muller hoe de dag daarvoor de 56-ste verjaardag van Adolf Hitler is gevierd.. Het feest is hem tegengevallen. De militairen met onderscheidingen krijgen bier en echte sigaretten, terwijl de gewone soldaten het zonder bier en met shagtabak moeten doen. Die tweedeling bestaat het hele jaar door, maar op de verjaardag van de Führer heeft Muller het anders verwacht. De telefoonverbindingen zijn overigens hersteld, meldt hij. Niet dat het nog ergens toedient. „Unsere Arbeit is ganz für die Katze, denn niemand kummert sich um den Laden”.

Vlielandse Grietje Annema heeft last van haar buik. Een nare zeurende pijn, die haar een week voor Pinksteren 1945 overviel. „Bijt maar op je tanden”, zegt de Duitse dokter. „Je bent zwanger”. Onzin, dat zou ze dan zelf wel weten. De Nederlandse dokter Robert Turfboer stelt een andere diagnose: het is de blinde darm. Hij alarmeert de reddingboot Brandaris, die haar en haar man Jan op tweede pinksterdag naar Harlingen brengt, naar het ziekenhuis. Een Javaanse chirurg behandelt haar. „Heel even wachten met de narcose”, zegt hij. „Ik wil eerst weten hoe het op Vlieland is”. Daardoor zijn Jan en Grietje Annema de eerste eilanders die de vrijheid proeven. Want Harlingen is al vrij en op Vlieland zitten de Duitsers nog. 5 mei 1945, „Over een paar minuten is de oorlog voorbij”, noteert Gefreiter Siegfried Muller in zijn dagboek. Door veel naar de Engelse radioberichten te luisteren is hij goed op de hoogte. De capitulatie is een feit, op 22 juni mag hij terug naar huis.

Het bevrijdingsfeest op 5 mei is bescheiden. Aarzelend wordt het Wilhelmus gezongen voor de deur van dokter Robert Turfboer, de leider van de plaatselijke BS. De vlag gaat uit en ’s avonds weer in, maar de avondklok en de verduistering zijn niet voorbij. Anton Wever hoort premier Gerbrandy op de radio: „Gij zijt vrij”. Maar de Duitsers lopen nog gewoon met geweren door het dorp. De avondklok van tien uur blijft en het leven gaat door zoals het al vijf jaar gaat. Op de ochtend van 31 mei 1945 maakt lieutenant Frederic Squire met twee mannen de oversteek Terschelling naar Vlieland, om het eiland te ontzetten. Hij zit bij het Britse Third Medium Regiment van de Royal Artillery, dat twee dagen eerder uit Den Helder naar Terschelling is getrokken. Frederic Squire ontbiedt de Duitse Ortscommandant, waarschijnlijk Clementsen, boven fotozaak Hommema, het hoofdkwartier van de BS. De Duitser moet staan, terwijl Squire met zijn voeten op tafel zit en achteloos de rook van zijn sigaar uitblaast. Daarna worden de lucht-doelbatterijen bezocht.

Onderweg roept de natuur, dokter Turfboer moet naar een bevalling. Een uur later is het kind er. „Noem hem maar onze bevrijder”, zegt Turfboer tegen de vader, Douwe de Gorter. „Wat levert dat op”, wil die weten. Voor een vrachtje sigaretten wordt het dochtertje Dieuwertje Frederika genoemd. Squire krijgt als dank voor de bevrijding een wandelstok met een degen erin, die door zijn nabestaanden aan het eilander museum is geschonken.

BS-commandant Turfboer zet ook burgemeester Rab af. Maar dat zit hem niet glad. De eilanders lopen zo warm voor hun burgemeester-in-oorlogstijd, dat een van hen een handtekeningenactie aankondigt als Rab niet zou terugkomen. „Dat verbied ik als commandant”, moet Turfboer hebben gezegd. Maar hij heeft niks te verbieden, het eiland is weer een democratie. Rab keert weer. „Ik wordt Flippie Fluweel genoemd”, zegt hij. „Hou er rekening mee dat fluweel twee zijden heeft, een gladde en een ruwe kant”. Anton Wever hoort het hem nog zeggen. Op Rabs aanraden heeft Wever zijn dochtertje, dat op 20 mei 1945 is geboren, Irene genoemd.
Vlieland is vrij, maar er zijn nog formaliteiten.

Op 3 juni ondertekenen Turfboer en Clementsen een ‘overgaveformulier’, een uitgebreide inventarisatie van alle overgegeven goederen, van de vuurtoren en het postkantoor tot aan 100 liter rum, 40 liter jenever en talloze potten, pannen en stoelen. Veel voedsel in blik ook, dat haast allemaal naar Terschelling is verscheept.. Zelfs drie paarden, een varken met negen jongen en drie waakhonden behoren tot de buit. Een van de honden heeft nog een tijdje bij een eilander gewoond.

Grutte Harmen en de Wonser Shermantank

De meest in oog springende herinnering aan de bevrijding in Wons is een Canadese tank. Het gevaarte zat muurvast in de Melkvaart achter de pastorietuin, waar het door het bruggetje was gezakt tijdens een omtrekkende beweging om het dorp. De tank was compleet, met munitie en al en het vehikel was niet afgesloten, zodat iedereen ongehinderd een kijkje kon nemen in de geschutskoepel. De tank wordt een van de meest geliefde speelplaatsen voor de jeugd. Het voertuig trekt kinderen uit de wijde omgeving, tot uit Makkum toe. „Machtich fûnen wy it, dy klokjeboel”, zegt cafébaas Henk van Slageren uit Wons, toen nog een knaapje.

De tank blijft meer dan een jaar op zijn plek zitten. Dan komt Harmen Haarsma, bijgenaamd de ‘Grutte Harmen’ uit Makkum om orde op zaken te stellen. Haarsma, een grote man met handen als kolenschoppen, werkzaam in het dijkonderhoud, weet met behulp van domme krachten de tank uit de sloot te halen. Wons is een speeltuin armer.

Colofon
Aan deze bijlage werkten mee:
Willem Altena, Jan de Boer, Willem de Boer, Peter Grondsma, Pieter de Groot, Kerst Huisman, Paul Janssen, Chris Kruisinga, Lars Kuipers, Wietze Landman, Siep van Lingen, Arend van der Meulen, Sybe van der Meulen, Pieter Sijpersma, Marjan Steenbergen, Janneke Visser, Asing Walthaus, Robert van de Woestijne en Teake Zijlstra.

De samenstellers hebben gebruik gemaakt van een groot aantal voorhanden schriftelijke bronnen, waaronder zowel de plaatselijke verschenen publicaties en materiaal in particulier bezit als het bestaande wetenschappelijk onderzoek. Nog levende getuigen zijn daarnaast in de tekst steeds sprekend opgevoerd.

Foto’s en illustraties: het Rijksarchief, het verzetsmuseum, gemeente archieven, streekmusea en particuliere collecties.

De redactie dankt alle personen en instellingen die hun medewerking van de totstandkoming van deze bijlage hebben verleend.

Voor de chronologie is informatie ontleend aan:

Friesland 1940-1945 Leeuwarden 1980.
Bert van den Berg, Onze vrijheid werd duur betaald. Haulerwijk 1989
Hen Bollen, Paul Vroemen, Canadezen in actie, Zutphen, 1995
Collectie Vereniging Friesland 1940-1945, bijeengebracht door drs. Y.N Ypma,
Ryksargyf Friesland.
Y. Damsma, Dat hawwe wy bilibbe Jirnsum, 1990.
Het Grote Gebod Gedenkboek LO-LKP, twee delen. Kampen-Bilthoven, 1951.
The History of 13 Canadian Field Regiment.
Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b.Den Haag 1982.
Lourens Looijenga, De bevrijding is een jaartal geworden, Wolvega 1985
Mr. G. J. van der Meij, Een voorlopige regeling. Leeuwarden 1995.
Jan A. Niemeijer, Groningen 1940-1945. Leeuwarden 1989.
G. J. van Ojen jr., de Binnenlandse Strijdkrachten. Den Haag 1972.
C. Reitsma, tekens aan de wand. Gedenktekens in Friesland ‘40-’45. Leeuwarden 1980.
Y. Schaaf, Laarzen op de Lange Pijp. Franeker 1994.
S. Schoon, De knokploeg Noord-Drenthe. Uitg. Assen 1970.
P. Wijbenga, Bezettingstijd in Friesland, deel lll. Uitg. De Tille, leeuarden, 1978.
Dr. Y. N. Ypma, ‘Friesland annis Domini 1940-1945’. Tweede druk. Uitg. Laverman,Drachten, 1965.
Jelle H. Kooistra e.a. Wergea yn besettingstiid. Wergea, 1990.


Afkortingen en termen:

ARBEITSREFERENT: Duitser die er op de arbeidsbureaus voor moest zorgen dat Nederlandse mannen en vrouwen in Duitsland gingen werken. Op het Leeuwarder arbeidsbureau was dat Hendriock.

AUSWEIS: Door of namens Duitsers afgegeven bewijsje dat houder ervan ergens naar toe mocht reizen of van bepaalde werkzaamheden vrijgesteld was.

BAILEYBRUG: Tijdens de oorlog in Engeland ontworpen uitneembare brug.

BAZOOKA: Draagbaar Amerikaans antitankwapen voor infanteristen.

BEAUFTRAGTE: Hoogste burgerlijke autoriteit van Duitsers in de Nederlandse provincies. In Friesland was dit Werner Ross. Verder ook toezichthouder namens de bezetter bij allerlei Nederlandse instanties.

BRENGUN: Machinegeweer van licht kaliber, gebruikt bij de Canadezen.

BRENGUN CARRIER: Militair rupsvoertuig, bewapend met een licht machinegeweer. Werd veel gebruikt voor militaire verkenningen. Nogal eens verward met tank.

BS: Binnenlandse Strijdkrachten (Eigenlijk Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten; de N is al spoedig vervallen wegens de verwarring met de NSB). In september 1944 voortgekomen uit de erkende ondergrondse organisaties KP (Knokploegen), OD (Orde Dienst) en RVV (Raad van Verzet). Leden van de BS waren tijdens en na de bevrijding te herkennen aan hun blauwe overalls en oranje armbanden.

COMMANDO: Vrijwilliger, opgeleid voor acties achter de vijandelijke linies. In Friesland vooral ingezet als wapeninstructeurs bij de BS.

DISTRICT: De Binnenlandse Strijdkrachten in Friesland waren aanvankelijk ingedeeld in tien districten. Later werden de Waddeneilanden het elfde district. In elk district was er een districts-commandant (‘DIC’) en een districtsoperatieleider (‘DOL’).

DIVISIE: Militaire eenheid met een sterkte van 10.000 of meer militairen onder commando van -gewoonlijk- een generaal-majoor.

DROPPEN: Het uit geallieerde vliegtuigen afwerpen van mensen, wapens en radiozendapparatuur.

EVACUE: Iemand die door de oorlogsomstandigheden moet verhuizen.

FELDGENDARMERIE: Duitse militaire politie.

FUNKSTELLE: Duits militair radiostation.

GEALLIEERDEN: De landen die tijdens de Tweede Wereldoorlog samen tegen Duitsland en Italië en Japan streden. In West-Europa vooral gebruikt voor Engelsen, Amerikanen, Canadezen en Polen.

GRÜNE POLIZEI: Andere term voor de Duitse Ordnungspolizei die groene uniformen droeg.

HANDGRANAAT: Met de hand geworpen explosief. De geallieerden gebruikten in Friesland een handgranaat die de vorm van een ei had, de Duitse handgranaten met een steel.

HAUPSTURMFÜHRER: Officiersrang bij SS en SD, gelijk te stellen met kapitein.

KOERIER(STER): Bracht tijdens de bezetting geheime berichten aan, vooral verzetsgroepen over.

KUSSIEBANDEN: Massieve fietsbanden, doorgaans gemaakt van oude autobanden. Van ‘cushionbanden’.

LANDWACHTERS: In november 1943 opgerichte hulppolitie, waarvan de leden hoofdzakelijk NSB’ers waren. De Landwachters waren bewapend met jachtgeweren. Vandaar hun scheldnaam Jan Hagel.

LAZARET: Hospitaal, veldhospitaal van Duitsers.

LEGERKORPS: Militaire eenheid, gewoonlijk bestaande uit twee divisies, onder bevel van een luitenant-generaal.

MAUER MUUR: Betonnen versperring op de toegangswegen naar grotere plaatsen.

NSB: Nationaal Socialistische Beweging. In 1931 door Anton Mussert en Cornelis van Geelkerken opgerichte politieke partij. De NSB stond aan de kant van de Duitse bezetter. Sinds 1941 was het de enige politieke partij die door de Duitsers was toegelaten.

NSKK: Nationalsozialistisches Kraftfahrerkorps. Duitse transportorganisatie waarvan veel Nederlanders deel uit maakten.

OBERSCHARFÜHRER: Onderofficiersrang bij SS en SD, gelijk te stellen met sergeant-majoor.

ONDERDUIKERS: Mensen die zich schuilhielden voor de Duitsers. De meeste onderduikers waren jonge mannen die zich zo wilden onttrekken aan de ‘Arbeitseinsatz’, het gedwongen werken in Duitsland.

ORTSKOMMANDANT: Duitse militaire bevelhebber in grotere plaatsen.

PANTZERFAUST: Draagbaar Duits antitankwapen voor infanterie.

POD: Politieke Opsporingsdienst. Naoorlogse instelling die leden van NSB moest opsporen en ondervragen.

REXISTEN: Belgische leden van de SD die in 1944 naar onder meer naar Friesland kwamen. De naam is afgeleid van de al voor de oorlog opgerichte rechtse politieke beweging Christus Rex (Christus koning) van Leon Degrelle.

SD: Sicherheitsdienst. Geheime inlichtingendienst van de Duitse bezetter. Maakte veel gebruik van Nederlandse hulpkrachten en richtte zich vooral op de illegaliteit.

SECTIE: De districten van de BS waren elk onderverdeeld in verschillende secties, met taken als inlichtingen en sabotage.

SS: Schutzstaffel. Aanvankelijk de lijfwacht van de Duitse ‘Führer’ Adolf Hitler. Later belast met de bewaking van de concentratiekampen. Uit de SS kwam de Waffen-SS voort, de militaire ‘tak’, die qua organisatie los stond van de rest van de Duitse Wehrmacht. Ongeveer 25.000 Nederlanders traden tijdens de oorlog vrijwillig toe tot deWaffen-SS.

STENGUN: In Engeland ontworpen machinepistool. Onnauwkeurig wapen dat gemakkelijk afging en zo nogal eens ongelukken veroorzaakte.

TANK: Zwaar militair voertuig op rupsbanden, bewapend met kanon en een of meer mitrailleurs. Canadezen in Friesland maakten gebruik van de Shermantank.

V-1, V-2: Vergeldingswapen van de Duitsers. De V-1 was een onbemand vliegtuigje dat een lading springstof vervoerde, de V-2 zijn in de herfst van 1944 enige weken vanuit Gaasterland gelanceerd.

VEEMGERICHT: Door de illegaliteit tijdens de bezetting ingestelde rechtbank die moest oordelen over de straffen voor met name collaborateurs.

VERTRAUENSMANN: (ook wel V-Mann). Meestal Nederlandse handlanger van de Duitsers die wist te infiltreren in het verzet.

VERZET: Andere naam voor illegaliteit of ondergrondse.

VERZET: Andere naam voor Ondergrondse, illegaliteit en, later voor BS. Verzamelnaam voor alle vormen van verzet tegen de Duitse bezetters.

VLAMMENWERPER: Door infanterist of op voertuigen meegevoerd wapen dat gebruikt werd om de tegenstander met brandende vloeistof uit te schakelen. Bereik ongeveer 40 meter.

WEHRMACHT: Verzamelnaam voor Duitse marine (‘Kriegsmarine’), leger en luchtmacht (‘Luftwaffe’).

EINDE: DE BEVRIJDING VAN FRIESLAND
















Last update: 12-06-2007 by www.herdenking.nl