Scholtenshuis' berucht als S.D.-hoofdkwartier.

Uit: Nieuwsblad van het Noorden 1979.

De Duitse overweldigers trokken op de avond van de 10e mei, om halfacht de stad Groningen binnen. Een beangstigend en triest gebeuren voor wie zich dat weet te herinneren.

Uit een relaas van mr J. Linthorst Homan, destijds Commissaris der Koningin in de provincie Groningen, "Herinneringen aan 1940" (Groninger Volksalmanak 1947) citeer ik diens indrukken van dat moment. "Ik keek naar buiten. Op de Grote Markt stonden al de eerste Duitse wagens. Een reus van een kerel regelde met een verkeersplaque het Duitse verkeer. Op ONZE markt. Die oude vertrouwde, dat hart van de stad, waar zoveel herinneringen lagen. Dat zo vertrouwde prachtige plein. Een zware open auto reed in onze richting met een vlag: de Duitse vice-consul".

En even later: "Op Pinksterzondag 12 mei werden de burgemeester van Groningen, de hoofdcommissaris van politie en ik bij de toen commanderende Generaal der Luftwaffe geroepen, die ons in zijn hoofdkwartier, in hotel De Doelen, een ernstig verwijt maakte, in brultoon, dat er bij benzinelevering was gesaboteerd. En die voorts medewerking eiste tot hulp bij herstel van het vliegveld Eelde, welke medewerking overigens geweigerd werd".



Het monument achter de Martinikerk voor de gevallenen.


Op maandag 13 mei kreeg de provincie Groningen een Feldkommandant, die zijn opwachting maakte, Oberst-Leutnant Von Bonin. Dat was geen partij-man, volgens Linthorst Homan. Hij had ook niets op met de NSB. Maar hij verdween al gauw naar elders.

Inmiddels had de Sicherheitspolizei intrek genomen in het huis van Scholten op de Grote Markt. De "Scholtenshuis"-periode was begonnen en dit pand kwam al spoedig in een kwade reuk.

Mr Linthorst Homan noteerde voor 29 juni 1940: "Op 29 juni Rijkscommissaris Seyss-Inquart gezien, toen hij op zijn rondreis door de provincies ons juist op de verjaardag van Prins Bernhard bezocht. Hij had ons, de griffier mr M.W. Scheltema en mij en verschillende andere autoriteiten, bij zich op het Scholtenshuis ontboden, waar wij meemaakten, dat hij aan de telefoon werd geroepen. Het bleek te gaan over de bloemenactie bij het Paleis Noordeinde. De Groninger Beauftragte Dr Conring, tevoren Landrat te Leer, was aanvankelijk rustig en niet moeilijk. Hij kende Groningen door en door, was ook met Groninger geslachten verwant, maar gaandeweg werd hij steeds scherper. De mislukking van het contact tussen de bezetting en ons volk zat hem zeer hoog".

Gaandeweg kwam de NSB steeds sterker naar voren in de ambtelijke gelederen. Wat dat bezoek van Seyss-Inquart aan Groningen betreft, geven onderstaande foto's een indruk van die protserige manifestatie. In het gevolg van de Rijkscommissaris waren SS-Brigadeführer Rauter, Oberregierungsrat Hushahn, persoonlijke Press Referent van de Rijkscommissaris. Landrat Conring was hem tegemoet gereisd naar Den Oever, zo stond in een verslag over dit gebeuren in de krant van 1 juli 1940.



Een door een tankgranaat beschadigd stadhuis.


En dan een citaat: De officiële ontvangst vond plaats in het gebouw van de Sicherheitsdienst aan de Grote Markt, in onze stad onveranderlijk aangeduid als "'t huus van Scholt'n". Op de Grote Markt werd een Bataljon SS-troepen geïnspecteerd. 's Avonds was er een concert door het Duitse militaire muziekkorps. Seyss-Inquart overnachtte in hotel De Doelen. Hij bezocht nadien Delfzijl, Uithuizen en de Veenkoloniën, aldus het verslag. Het "Scholtenshuis" werd al gauw berucht en gevreesd door de weergaloze terreur van SD-topfiguren als het SD-hoofd SS-Sturmbannführer G.B. Haase, verantwoordelijk voor vele executies en honderden mishandelingen. Berucht was de "beul van het Scholtenshuis" Robert Wilhelm Lehnhoff. Gevreesd waren SD-ers als SS Hauptsturmführer Friedrich Bellmer, plaatsvervangend SD-chef in Groningen, Helmuth J. Schäper, Korn, Kern, Kaper, Gross, om een aantal kopstukken te noemen. Niet minder de Nederlanders die als SD-handlangers fungeerden.

Over het Scholtenshuis werd in "Hoe Groningen streed", het provinciaal gedenkboek van het verzet 1940-45 geschreven: "Voor de in de val gelopen verzetswerkers van Groningen stad en ommelanden begon het meestal op het politiebureau of op de zolder van het Scholtenshuis. Bij tientallen huisden ze op deze zolder, bijeengekamd door het Groene Apparaat, dat Lehnhoff en consorten ononderbroken in werking hielden. De nieuw-aangekomene kon al direct enig idee krijgen van de behandeling in dit voorportaal van de hel.

Er lag altijd wel iemand murw geschopt en kapotgeslagen in een plas water, als het niet in het eigen bloed was. "De moord op lakschoenen" werd een der groot-inquisiteurs genoemd. Een betekenisvolle uitdrukking, die duidelijk aangaf hoe de verhoren plaatsvonden. Verhoren niet één enkele keer, maar dikwijls tot twintig en meer malen toe. Een slachtoffer wordt weggesleept uit de martelkamer. Hij heeft nog juist genoeg besef te bedenken:"Dit overleef ik geen tweede keer". En de beulen schreeuwen sadistisch vanachter de deur hem na: "Notieren Sie sich das; dies war ja nur noch V.1, folgendes Mal V.2" De onthutsende drama's die zich in dit gebouw hebben afgespeeld kwamen bij stukjes en beetjes na de oorlog aan het licht, toen de SD-kopstukken terecht moesten staan voor het Bijzonder Gerechtshof.

Zeker 150 geëxecuteerde noordelingen; 250 gijzelaars, honderden mishandelingen. Het "Scholtenshuis" zou een gruwelijke klank krijgen. Wat dat betreft is het maar goed, dat het gebouw bij de bevrijding in april 1945 verwoest werd. Daarover in een volgende rubriek.



Ter ere van de Canadese bevrijders,zie tekst volgende foto.


'Scholtenshuis' werd ruïne.

Was de bevrijding van de stad Groningen op vrijdagmiddag 13 april 1945 begonnen, de slag om de binnenstad voltrok zich op zondag 15 april. De Duitsers verzetten zich fel. Straat voor straat drongen de bevrijders op. Overal in de binnenstad ontstonden hevige branden. Onheilspellend leek de vuurgloed voor de bewoners in de buitenwijken, die al bevrijd waren. De Grote Markt bleek gedeeltelijk door de Duitsers bezet te zijn. De Vismarkt was om drie uur bevrijd en toen begon de opmars naar de Grote Markt, ondersteund door Shermans(tanks)

Mr W. van Ommen Kloeke vertelt over de slag om de Grote Markt in zijn boek "De bevrijding van Groningen", dat de eerste tank om half vier verscheen via de Herestraat. Zij reed door de smalle doorgang ten zuiden van het pand Rottinghuis en richtte haar dreigende vuurmond op de oostzijde van het marktplein, waar de Duitsers zich in huizen hadden genesteld. Enkele uren later verschenen ook tanks bij de overige uitgangen van de Grote Markt.

Angstig vroegen de bewoners van de Grote Markt zich af, wat er nu verder zou gebeuren. De zware rookwolken, die uit de Stoeldraaierstraat omhoog stegen voorspelden weinig goeds. De Duitsers hadden zich teruggetrokken op de noord- en oostzijde van de markt. Op de meest westelijke vleugel zat de landwacht in haar kazerne, het pand waarin vroeger de mode-engroszaak Feldbrugge gevestigd was geweest (no 8). Daar stond bovendien een zware mitrailleur voor het café "De Unie". Maar ook in het café "De Pool", De Amsterdamse Bank, de Hoofdwacht en in de huizen langs de oostzijde van de markt zaten Duitse mitrailleurposten.

Zware Canadese tanks begonnen om zeven uur hun bombardement op de tegenstander. Schot na schot dreunde over het historische plein, gat na gat sloeg in de oude gebouwen. De tank bij de Oosterstraat had het vuur geopend op het café "De Unie". Reeds na enkele schoten moest de Duitse mitrailleur terug en toen kort daarop de positie daar hopeloos scheen, stak de Landwacht haar hoofdkwartier in het huis-Feldbrugge in brand. Om acht uur weerklonk in dat gebouw een hevige ontploffing. Munitie vloog de lucht in en snel verspreidde het vuur zich naar alle kanten, aldus nog steeds mr Van Ommen Kloeke.



Ter ere van de Canadese bevrijders.

TOEN REES UIT OORLOG EN VUUR
HET HELDERE KRISTAL VAN DE VREDE.

Ter herdenking van de bevrijding van Groningen door Canadese strijdkrachten.
1945-----13-16 april-----1970

In commemoration of the liberation of Groningen bij Canedian armed forces.
1945-----13-16 april-----1970


De Duitsers bleven doorvechten, steeds meer huizen raakten in brand. Op een oproep om de strijd te staken werd niet gereageerd. Daarop kwam het Scholtenshuis aan de beurt. Om half tien sloegen de vlammen er aan alle kanten uit. Een kwartier later weerklonk uit dit huis, waar honderden Groningers onder de Sicherheitsdienst zo ontzettend was geleden, een geweldige explosie: vuurzuilen schoten naar alle kanten. Het vuur greep nu als een razende om zich heen en verwoestte de fraaie gebouwen... Direct na de bevrijding bleek, dat zo'n 125 fanatieke uit Groningen afkomstige SS-ers, SD-ers en Landwachters naar Schiermonnikoog waren gevlucht, voorzien van personenauto's, veertig nieuwe fietsen, goud, juwelen, voedsel, drank, wapens en vijf vrouwen. Ze namen hun intrek in de boerderij De Kooiplaats van IJde Talsma. Begin juni werden ze daar gevangen genomen door de Canadezen.

Toen het puin-ruimen was begonnen en wij in die eerste maanden na de bevrijding opgelucht, maar leeg-geplunderd, verbeten probeerden weer enigszins in het gareel te komen, lazen we daarover in de kleine krantjes van toen.

Ik citeer uit toenmalige "Ons Noorden" van 8 juni 1945: "De POD maakt bekend, dat het grootste deel van de leden van de Groninger SD op Schiermonnikoog gevangen is genomen, zowel Nederlanders als Duitsers. Binnenkort zullen degenen, die schade van deze lieden hebben ondervonden in de krant een verklaring vinden, waarin staat wat ze te doen hebben".

En een bericht van 26 juni in diezelfde krant luidde: "De Politieke Opsporingsdienst, district Groningen, maakt bekend, dat thans een groot deel van het personeel, behoord hebbende tot de SD. zetel gehad hebben de in het Scholtenshuis te Groningen, in verzekerde bewaring is gesteld.

In verband hiermee wordt de bevolking opgeroepen tot het doen van aangifte van de volgende zware misdrijven, gepleegd door of vanwege personeel van de SD, te weten moord, doodslag, zware mishandeling. Hieronder vallen ook de gegevens betreffende personen, welke zijn gearresteerd en later zijn weggevoerd en over wier lot men thans nog in het onzekere verkeert".

Daarna volgde een lijst met adressen in de stad en gewest waar men opgave kon doen. En terwijl de berechting van de oorlogsmisdadigers ook in deze streken werd voorbereid, kwamen bij stukjes en beetjes de gruwelen van de SD-beulen aan het licht. Massagraven werden ontdekt (Norg, Westerbork, Exloo, Appelbergen). De wrede verhoor-methoden in het Scholtenshuis kwamen schril naar voren uit de verklaringen van gefolterden in rapporten en processen-verbaal.




De eerste zitting van het Bijzonder Gerechtshof in Groningen begon op 19 december 1945. President was jhr. mr. W.W. Feith. Advocaat-Fiscaal jhr. mr. A.H.S. van der Wijck. Week in week uit werden, dagen achtereen, marathonzittingen gehouden. De laatste zitting was op 20 juni 1949.

In de na-oorlogse jaren is aanvankelijk nogal wat te doen geweest over het herbouwplan van Groningens binnenstad. Maar uiteindelijk werd toch besloten de studentensociëteit "Mutua Fides" niet weer aan de noordzijde, maar aan de oostzijde van de Grote Markt te bouwen, ongeveer op de plaats waar het Scholtenshuis had gestaan. Op 25 oktober 1952 werd door het oudste erelid prof mr I.B. Cohen de eerste steen gemetseld voor de nieuwe studentensociëteit. Op 27 februari 1954 kon het aanvankelijk nogal omstreden bouwwerk van architect ir J.J.M. Vegter officieel in gebruik worden genomen. De opening geschiedde door jhr. mr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, oud rector van Vindicat.

En naderhand, toen er van opvulling van de nog restende ruimte met een cultuurcentrum niets kon komen, kwamen er winkels en de Naber-passage, zo genoemd naar de verzetsman C.A.J. Naber, een van de slachtoffers van de SD-verhoor-methoden. Naber was door de SD gepakt en werd verhoord op het Scholtenshuis. Daar op die beruchte zolder van het Scholtenshuis is hij, na verhoor van twee dagen en twee nachten, bevreesd niet opgewassen te zijn tegen verdere verhoren, geboeid en wel uit een raam gesprongen. Deze plaats aan de oostzijde van de Grote Markt mag dan historie hebben gemaakt als "Alberdahuis en "huis van Scholten", als "plek waar het Scholtenhsuis heeft gestaan" blijft er een doem op liggen van afgrijselijk leed.




Nachtmerrie van een SD-gevangene op zolder van het Scholtenshuis

Een, wat hij eens in een interview "afgrijselijk nachtmerrie" noemde, heeft ir Pit van Loo uit Groningen nu, 35 jaar, neergeschreven in het boekje "Gevangene van de SD". Het is een indringend relaas geworden van arrestatie door de SD, folteringen op de zolder van het beruchte Scholtenshuis, het SD-hoofdkwartier in Groningen en transport naar een Duits werkkamp, waar ontzettende ontberingen geleden werden.

Ir P. van Loo heeft, eenmaal terug in Groningen, snel die beroerde tijd van zich af proberen te schudden en zich gestort in het algemeen bestuurlijke en maatschappelijke leven van herbouwend Groningen. Van 1946 tot 1958 was hij wethouder voor Sociale Zaken en Stadsbezittingen, vervulde daarbij een dertigtal functies, veelal als voorzitter, was creatief als kunstschilder en had als verzamelaar oog voor kunst-uitingen. Zijn bureau voor architectuur en stedebouw ontwikkelde onder meer uitbreidingsplannen voor een veertigtal gemeenten in Groningen, Friesland en Drenthe.

In de oorlog zat Pit van Loo in het verzet (illegale pers, Trouw-groep) tot hij in de herfst van 1944, zeven maanden voor de bevrijding, in handen viel van de SD en op het Scholtenshuis belandde. Ir Van Loo, later in een interview: "Dat was een nachtmerrie, het was afgrijselijk, niet te beschrijven. De mishandelingen waren zo beestachtig. Op mijn rug was geen normaal stukje huid meer door het ranselen. In het proces tegen de beul van het Scholtenshuis was ik hoofdgetuige".




Die ervaringen zijn dan nu in boekvorm verschenen."Gevangene van de SD", geïllustreerd met tekeningen van de Groninger illustrator Herman Dijkstra (Uitgeverij De Vuurbaak, Groningen,13,90).

Na zijn arrestatie werd hij regelrecht naar het Scholtenshuis gebracht voor verhoor en opgesloten op de berucht geworden zolder, samen met een dertigtal andere slachtoffers van de SD-terreur. Van Loo over het Scholtenshuis: "Uitgestrekt op de harde houten vloer liggen de tijdelijke bewoners en trachten te vergeten. Sommige liggen tussen een dubbelgeslagen stoffig vloerkleed, dat muf ruikt van ouderdom en weinig warmte geeft. Anderen liggen op een jas met een deken over zich heen. Er zijn er ook, die zo op de vloer liggen en alleen een jas hebben om onder te kruipen".

Hij probeerde te gaan liggen, want hij was die dag "verhoord" en een van zijn lotgenoten had hem aangeraden maar een zacht plank uit te zoeken. Het gemakkelijkst kon hij nog voorover liggen, maar ook dat was niet lang vol te houden. De atmosfeer was benauwd en de "emmers" verspreidden een onaangename geur.

Over de verhoor-methoden op het Scholtenshuis, die Piet van Lingen (schuilnaam van de schrijver) moest ondergaan: "Allerlei gedachten gaan er door zijn hoofd en steeds weer ziet hij voor zich het vies pafferig gezicht van het sadistisch weekdier Lehnhoff. Het gif straalt uit zijn valse slange-ogen. "Je liegt", zegt zijn glibberig vriendelijke stem, terwijl hij achteloos speelt met zijn dikke gummiknuppel. Links van hem zit Schleifer met zijn magere verraderstronie voorover gebogen. Hij speelt eveneens met een gummistok. Aan het eind er van zit een klein gaatje, waar hij een revolverpatroon in drukt. "Dat slaat wat lekkerder, zie je" verzekert hij beminnelijk. Het weekdier buigt zich voorover en vloeit min of meer uit zijn schrijftafel. "Mijn beste jongen, doe me het toch niet aan, dat ik je moet slaan", kwijlt hij arsenicumzoet. Dan gaat hij staan. Tergend langzaam trekt hij zijn jas uit. Hij begint te zwellen. Aan alle kanten puilt hij uit. Steeds groter wordt hij en steeds dikker. "Je liegt, je liegt", lispelt hij. Dreigend komt hij dichterbij. Het lijkt wel of hij het hele vertrek vult met zijn kwabbige massa als van een reusachtig weerzinwekkend diepzeemonster.

Piet beweegt zich onrustig. Hij gaat rechtop zitten en tracht deze nachtmerrie van zich af te schudden. Nu is hij weer op de zolder. Eindeloos lang duurt de nacht. "Dit was V-1, morgen krijg je V-2", heeft Schleifer beloofd, toen het verhoor in kamer 15 was afgelopen. Dat was een woordspelling, waarbij verhoorfasen in verband werden gebracht met de Duitse V1- en V2-raketten".



Achter de Martinikerk in Groningen.


Vier weken heeft Piet van Lingen daar op het Scholtenshuis gezeten. Regelmatig werd hij onder verhoor genomen, maar ze werden niets wijzer van hem. Verschrikkelijke taferelen speelden zich af. Gevangenen, die bewusteloos en kapotgeslagen op de voorzolder aan de marktzijde van het Scholtenshuis lagen, zonder eten en zonder dat iemand enige hulp mocht bieden. Anderen, die geboeid met de handen op de rug en het gezicht naar de muur dagen achtereen moesten staan.

Van Loo: "Na vier dagen van afschuwelijk lijden worden ze weggebracht, de een lopend, de ander gedragen. Waarheen weten de gevangenen niet, maar later horen ze dat ze gefusilleerd zijn". Sober vertelde, maar schokkende gebeurtenissen, zoals die over twee mannen van middelbare leeftijd.

Van Loo: "Ze worden naar binnen gegooid, op de grond gesmeten tussen de andere gevangenen op de achterzolder. Het blijken bekende Groningers. Bloedend en met builen liggen ze daar. Een van hen is een goede bekende van Piet. Als versteend kijken alle gevangenen toe, als levenloos liggen de twee mannen daar. Bij de één komt braaksel uit de mond en op zijn sokken en schoenen zien ze de resten van uitwerpselen. De twee SD-beulen trappen de ongelukkige in de zij, in het kruis en waar ze hem maar kunnen raken, scheldend en vloekend. De slachtoffers zijn volkomen weerloos en kapot. De ander, die nog het meest kan reageren, huilt en jankt van angst en pijn. Het schijnt de nazibeulen voldoening te geven. "Aufstehen", brult Lehnhoff. Hij is daartoe nog in staat, maar hij wordt op hetzelfde moment weer tegen de grond geslagen. De eerste kan enkel nog het hoofd optillen. "Aufstehen, fauler Hund...", maar hij kan niet. Met twee handen grijpt de beul hem in de haren en tilt hem op, maar staan blijkt onmogelijk. Als een zoutzak zakt hij in elkaar, zonder geluid. Datzelfde wordt een paar maal herhaald. De gevangenen kennen alleen maar afgrijzen. Als de beulen verdwenen zijn durven een paar van de gevangenen naar hen toe te gaan, maar hulp is onmogelijk. Voorzichtig leggen ze hen op de rug en maken hun gezicht schoon. Een oude man probeert nog een paar woorden van steun en troost te zeggen, maar wat kan men in zo'n situatie nog zeggen? Reactie komt er vrijwel niet, behalve onverstaanbare klanken en een klacht om hulp. De oude man bidt. Enige tijd later worden ze weggehaald, weggesleept. Dit is het laatste wat Piet en de anderen van hen zien".



Ter nagedachtenis aan de gevallen, achter de Martinikerk in Groningen.


Van Loo zat daar op die zolder van het Scholtenshuis toen ook de Groninger verzetsman C.A.J. Naber, gearresteerd wegens spionage, verhoord werd en- om te voorkomen dat hij onder het verhoor zou bezwijken en namen zou noemen- tijdens het luchten uit het raam sprong. Nabij de plaats waar het Scholtenshuis stond, loopt nu een winkelstraat, die naar hem is genoemd , de Naberpassage.

Van Loo werd vervolgens op transport gesteld naar een kamp in de buurt van Hannover, waar hij honger leed, vervuilde en aan vele ontberingen bloot stond. De uitgeputte, vermagerde en ziekelijke "slaven" werden uiteindelijk door de Amerikanen bevrijd. SD-terreur na moord op Keyer.

De installatie van overste Ph. Blank tot waarnemend gewestelijk politiepresident in Groningen, op 8 maart 1944, in en voor het historische pand aan de Ossemarkt, dat destijds politiehoofdkwartier was, werd een nazi-manifestatie bij uitstek. Op deze foto, die ik van de heer Harm R. Reinders (Patrijsweg 37, Paterswolde) kreeg, ziet U een defilé van de Staatspolitie voor de Duitse en Nederlandse SS- en SD-kopstukken. De oorlog had in die eerste maanden van het jaar 1944 een grimmig karakter gekregen. De bezetter trad genadeloos op, daarbij fanatiek geholpen door Nederlandse verraders en handlangers.

Op Oudejaarsdag, 31 december 1943, was de politieluitenant A.J. Elzinga op de Eendrachtsbrug in Groningen door de illegaliteit neergeschoten. Elzinga was een berucht handlanger van de SD, die te veel gegevens over het illegale werk in Groningen op het spoor was gekomen. Als reactie daarop werden door de SD-ers van het Scholtenshuis in Groningen als represaille zeven personen vermoord en 36 mensen naar Vught gedeporteerd. Maar al was Elzinga uitgeschakeld, het "werk" op het Scholtenshuis ging gewoon door, want Jannes Luitje Keyer, eveneens een berucht SD-handlanger, werkte onverdroten voort. Deze onderluitenant van de Staatspolitie, die nauw samenwerkte met de Aussenstelle SS en SD in Groningen, had een belangrijk spoor te pakken, die de SD naar de illegaliteit zou leiden.

Op zaterdag 22 april 1944, toen Keyer naast het stationsgebouw te Bedum liep om de laatste trein naar Groningen te halen, werd hij door illegale werkers neergeschoten. Als reactie op deze moord oefende de SD in de daarop volgende dagen een weergaloze terreur uit, met name in Zuidwolde, Bedum, Middelstum en Winsum. Op grootscheepse schaal werden razzia's gehouden. Hoe dit alles in zijn werk ging heeft Harm R. Reinders een aantal jaren geleden beschreven. Hij is zelf een van de gevangenen, die via Amersfoort terecht kwam in een Duits gevangenkamp in Böhlen. Ook de hierbij afgedrukte foto's van de SD-kopstukken R.W. Lehnhoff (de SD-beul van het Scholtenshuis), Fr. Bellmer, plaatsvervangend SD-chef in Groningen en de SD-handlanger Jan Ale Visser, komen uit de documentatie van Harm R. Reinders.

Uiteraard zal aan dit grimmige facet van de oorlog uitgebreid aandacht worden besteed op de grote tentoonstelling over de bezettingsjaren in stad en provincie Groningen. Deze tentoonstelling zal zoals ik u vertelde op 9 oktober 1979, te zien zijn vanaf midden april in de grote bovenzalen boven het Groninger museum. De SD zat na de moord op Keyer niet stil. SD-hoofd G.B. Haase, R. Lehnhoff, waarnemend SD-chef Fr. Bellmer, H.J. Schäper en anderen hielden topberaad. Het eerste slachtoffer van de represaille was de Bedumse aannemer J.W. Formsma. Hetzelfde weekend nog werd hij in Groningen vermoord. In de vroege ochtend van de 25e april trokken overvalwagens van de SD de provincie in. Nog voor vier uur was Zuidwolde omsingeld en begon men met het arresteren van alle jongemannen tussen 18 en 26 jaar. Ze werden in café Hekma binnengebracht. De SD zat achter een grote tafel. De slachtoffers moesten met het gezicht tegen de muur gaan staan, vertelde Harm R. Reinders, die zelf gearresteerd werd door de SD-handlanger Jan Ale Visser. Op bakkersknecht C.G.G. Bos schenen de Duitsers het voorzien te hebben. Hij werd ernstig mishandeld en kort daarna door de SD-er Schäper doodgeschoten. Intussen werden steeds meer mensen binnengebracht. Onder de gearresteerden bevonden zich o.m. bakker J.K. Dwarshuis, patroon van de vermoorde Bos, slager Havinga en J.B. Visser, werkzaam in Groningen. De SD reed met hen in een auto de Wolddijk op, waar ze na elkaar werden neergeschoten.

Hauptsturmführer Friedrich Bellmer was door het hoofd van de SD, G.B. Haase belast, met de leiding van deze actie. Bijgestaan door Schäper en de SD-er J.A. Visser verrichtten zij hun werk. Tegen het middaguur werden dertien gevangenen naar Groningen vervoerd, naar het Martinikerkhof en vandaar, samen met vele lotgenoten, naar Amersfoort, als doorgangskamp naar Duitsland.

Intussen had een gedeelte van de overvallers koers gezet naar Bedum, waar ook zeer vroeg in de ochtend de arrestaties begonnen. Hierbij werd een zestigtal mensen gearresteerd en samengedreven in hotel Van der Molen. Niet weer terug keerden uit gevangenschap: J. Wiertsema, G. Klifford, H. de Boer, J. Korthuis, J. Kuipers (Zuidwolde), H. Hummel, H. Buurma, C. Kluiter, J. de Boer, J. Smith, R. Klaver, J. Sibma, J. Medema, A. Hooghuis en H. Huisman (Zuidwolde).

Ook Middelstum werd omsingeld. De mensenjacht leverde hier 31 jonge mannen op, die allen, na hun gevangenneming, in café Van Lacum werden samengedreven. Alle 31 werden naar Amersfoort gebracht, tezamen met de anderen, om vandaar in juli op transport te worden gesteld naar Duitsland. Drie Middelstummers kwamen uit het concentratiekamp Amersfoort terug. Van de 28 anderen kwamen er vier niet weer terug uit Duitse gevangenschap: Klaas Doeke Pot, Arend Jansma, Nicolaas Dijkema en Berend Tuitman.

Niet alleen werden inwoners van de dorpen gearresteerd. Ook reizigers, die toevallig op doortocht waren en de gevaarlijke leeftijd hadden, werden gegrepen. Want ook Winsum stond op de zwarte lijst van de SD. Vijf en veertig personen werden hier gepakt. C. Heslinga, C. Bolhuis, S. van Dijk, R. Tuitman en S. Wendelaar keerden nimmer terug uit gevangenschap. Heslinga overleed reeds een paar maanden later in Amersfoort, de anderen vonden in Duitsland de dood.

Een paar nachten later trok de SD opnieuw naar Middelstum. Aangebeld werd bij ds. Lieve. Deze deed de deur open en zei, dat hij "de dominee zou halen", waarna hij uiteraard de vlucht nam. Die nacht werd de onderwijzer H. Heis in de gang van zijn woning neergeschoten. Intussen zocht de SD fanatiek naar de daders van de moord op Keyer. Men vermoedde dat de illegale werker B.J.C. Rijnders uit Bedum wel meer van de zaak zou weten. Hij werd in de trein door de SD-ers Kindell en Drost gegrepen. Bij het verhoor bleek dat Rijnders niets van de aanslag wist. Niettemin reden de beruchte Lehnhoff, de SD-chauffeur Mowinsky en Drost met hun slachtoffer per auto langs het Damsterdiep, waar Rijnders met een nekschot vermoord werd. Zijn lichaam werd in het kanaal gegooid.

Na enkele maanden Amersfoort ging de groep gevangenen naar Duitsland. Een klein deel naar Braunschweig, het merendeel naar Schkopau bij Halle-Merseburg en vandaar naar Böhlen, bij Leipzig. Velen kwamen hier om het leven door mishandeling, honger, ontberingen en bombardementen.

Een groep oud-gevangenen is een jaar of tien geleden, op initiatief van Harm. R. Reinders, weer eens terug geweest in Böhlen. Ter herinnering aan de omgekomen Nederlandse kampgenoten is toen een gedenksteen onthuld.

Uit: Nieuwsblad van het Noorden zaterdag 21 april 1990



'Ik was toen geen mens meer....'door Harry Wubs

Er ging veel mis in zijn leven, zegt hij. Een wilde vogel die ten einde raad was; 'Ze hadden me toen in hun macht'. Zo werd hij handlanger van de SD in het beruchte Scholtenshuis aan de Grote Markt in Groningen, het Huis van de Schrik. Hij ging tot het uiterste: executeren van verzetsmensen. Twintig jaar zat hij in de gevangenis. Weglopen voor zijn daden wil hij niet. 'Er is geen weg terug maar het doodschieten van die mensen is het allerergste....'

Ergens in het gesprek zegt hij met enige stemverheffing: "Ik zou het niet graag over willen doen. Voor geen miljard gulden! Het was een leven dat ik geen mens toewens. Mensen doodschieten, dat is het allerergste dat je kunt doen". Hij deed het en hij heeft het dan over de tijd dat hij voor de Duitsers werkte. Voor de Nazi-mensen die toen Nederland hadden bezet. En hij werkte bovendien op een in het Noorden beruchte plek: het Scholtenshuis aan de Grote Markt in Groningen. Het huis van de gehate SD, het Huis van de Schrik, dat was zijn domicilie. Het verhaal van een gewone Groninger jongen, die -zeg maar- verkeerde kameraden kreeg. Waardoor er veel mis met hem ging. Twintig jaar straf zat hij uit. Daarmee was hij nog niet eens slecht af, want hij werd in 1950 -na vijf jaar in voorarrest te hebben gezeten- tot levenslang veroordeeld. Een zware jongen in oorlogstijd dus, die nergens voor terugdeinsde.Dat beaamt hij nu nog zonder met de ogen te knipperen. Maar wel, maakt hij duidelijk, omdat de Duitsers hem in zijn macht hadden.

Hij woont nu ergens in het Zuiden van het land, in een gewoon rijtjeshuis. Hij heeft het nooit willen verlaten, ook al kwam hij later in beter doen. Hij vertelde zijn levensverhaal van de oorlog eerder ook al eens. Harm Reinders uit Paterswolde sprak voor dat doel met hem voor het boek 'De nadagen van het verzet', dat onlangs bij Kok in Kampen is uitgekomen. In het boek komen mensen aan het woord, wiens leven mede door de oorlogsjaren in Groningen is bepaald. Het was eerste keer, dat de ex-SD-er openlijk zijn verhaal deed, geen poging deed zijn verleden te verklaren. Niet uit zichzelf, maar omdat anderen hem er om vroegen. Zijn Groningse afkomst is nog duidelijk hoorbaar.

Hij komt trouwens ook nog regelmatig in deze contreien, wanneer hij familieleden bezoekt bijvoorbeeld. In een interview stemt hij direct toe. Enige voorwaarde is dat zijn naam niet wordt genoemd. "Niet voor mezelf ", zegt hij. "Verstoppen wil ik me niet; ik wil alleen voorkomen dat mijn kinderen er last door zouden kunnen krijgen". Het heeft geen zin -hijzelf doet dat trouwens op geen enkele manier- er doekjes om te winden: hij was een verlengstuk van de beruchte Sicherheitsdienst, sterker nog, hij knapte voor hen vaak de gevaarlijkste karweitjes op. ..."Dan ben je geen mens meer", weet hij nu, hoewel dat besef er toen diep in zijn binnenste ook was, zegt hij. "Maar er is geen weg terug". Hij spreekt over het deel uitmaken van executies-peletons, over het doodschieten van mensen. "Ik dacht dat ze mij niet zover zouden krijgen. Ik dacht de situatie in eigen hand te kunnen houden. Ik overschatte mezelf, verbeeldde me te veel mag je ook zeggen. Ik was uiteindelijk een wilde vogel die ten einde raad was.

Ze hadden mij in hun macht". En daarmee komt de tegenstrijdigheid om de hoek. Een handlanger van de SD, die een onderduiker thuis had. Een handlanger van de SD die ook Joden hielp. Hij deed het beide, zegt hij. Gelijktijdig. Het werd tevens zijn val, zijn absoluut overgeleverd zijn aan de Duitsers. Hij werd gesnapt en overgegeven aan de mensen met wie hij samenwerkte en wier praktijken hij kende. Hij werd in het Scholtenshuis langdurig opgehangen aan een ketting. Zijn rechterarm kan hij sindsdien niet meer strekken. Hij kreeg de keus: uitvoeren wat de Duitsers hem opdroegen of de kogel. Hij koos voor het eerste. "Het begon heel langzaam en ik was ziende blind, ik wist niets van grof optreden in het Scholtenshuis, niets van mishandeling". Maar van die mens-minachtende-geweldsmachinerie ging hij wel deel uitmaken. "De mensen die ik doodgeschoten heb...",peinst hij, ..."ik kan me geen gezichten voor de geest halen. Ze waren objecten voor mij, anders had ik het niet kunnen doen. Dat zeg ik niet om schoon te praten, want dat kan ik niet en dat wil ik niet. Ik was verantwoordelijk voor mijn daden en ik blijf dat. Maar verklaren mag ik me toch? Ik ben er echt niet trots op, dat ik een handlanger van de SD was, laat dat duidelijk zijn".

Hij schetst de onderlinge sfeer in het Scholtenshuis: niemand vertrouwde iemand, het was vanuit je ooghoeken loeren naar iedereen. "De vinger constant aan de trekker, dat is misschien wel de beste typering. En daarbij zorgden de Duitsers er voor dat ze het hun superieuren naar de zin maakten. Dan werden ze in ieder geval niet naar de een of andere front gestuurd. Daar waren ze als de dood voor". Hij spreekt over het verzet, met wie de Duitsers ook in Groningen nogal wat hadden te stellen. Hij vocht er zijn kleine oorlog mee uit. Hij zag de verzetsmensen als echte tegenstanders, als soldaten van de andere kant.

Hij heeft er nog steeds geen moeite mee, dat hij met leden ervan in vuurgevechten gewikkeld raakte. Dat gebeurde enkele keren. Nog steeds gelooft hij dat beide partijen respect voor elkaar hadden. Niet omdat ze een wapen droegen, maar omdat ze aan elkaar waren gewaagd. Hij zegt overtuigend: "De Groningers hadden eens moeten weten... Ze hadden eens moeten weten, dat de Duitsers als de dood voor de verzetsmensen waren. De partisanen, zo noemden de Duitsers hen en zo noemden wij hen op het Scholtenshuis ook. Maar jullie maakten een vergissing. De felheid van de SD in Groningen is maar een deel van de waarheid. Ook waar is dat de SD veel banger voor het verzet was dan de verzetsmensen in de gaten hadden. Je gelooft toch zeker niet, dat er ook maar één Duitser over piekerde om ergens diep in de provincie zomaar tot actie over te gaan. Dan werd er geroepen: Ben je gek! Daar zitten Partisanen, ik waag mijn leven niet! In het Noorden waren grote gebieden, waar de Duitsers zich niet in kleine groepen durfden vertonen wanneer het donker was. Bij alarm-telefoontjes werden wij er op uitgestuurd, mochten wij voor hen de kastanjes uit het vuur halen".

Ondoordringbaar

"Voor de illegaliteit heb ik, toen ik na de oorlog hoorde hoe onbaatzuchtig hun instelling was, een groeiend respect gekregen.

Die mensen hadden stuk voor stuk een ongelofelijke moed, waar ze ook vandaan kwamen, wat ook hun afkomst was. En of ze nu bakker waren, boekdrukker of kunstenaar, ze hadden onveranderlijk dezelfde instelling. Niemand heeft bij een executie om genade gesmeekt, niemand. Als ze al iets zeiden vlak voor hun dood was dat: "Leve de Koningin of "God zal jullie straffen". Maar genade? Nooit!" De felheid van de SD. Deze Duitse politiedienst van het Scholtenshuis kreeg de meest beruchte naam van heel Nederland. Nergens was de mensenjacht zo intensief, nergens werd zo gemarteld, nergens werd zo gemakkelijk een mens omgebracht dan in het herenhuis aan de Grote Markt. Er is een simpele verklaring voor, zegt onze gesprekspartner. Juist doordat de illegaliteit zo ondoordringbaar bleek voor de Duitse instanties. Die waren uit op successen, maar in Groningen konden geen grote vissen worden gevangen. "En omdat de successen uitbleven, werd de SD juist feller".

Niets wijzer

Maar wat zijn successen in dit verband? In een oorlog treden zo ongeveer alle wetten buiten werking en geldt het recht van het geweer, het recht, kortom van de sterkste. En de sterkste waren de Duitsers voor de illegaliteit. Te veel goede Groningers vielen, zoals er te veel goede Nederlanders vielen. Vraag het maar aan oud-verzetsmensen, vraag het aan de weduwen. Van Bob Houwen, van Stoffer Holtjer en van al die andere mannen die omkwamen omdat ze zich niet neerlegden bij de Duitse overheersing. Toch zegt onze gesprekspartner, dat voor de Duitsers het succes dat ze onder de illegaliteit in Groningen hadden betrekkelijk was. "Ik heb niet de illusie, dat we verder dan de eerste laag zijn gekomen. We moesten eigenlijk steeds weer opnieuw beginnen. Niemand zei echt wat, niemand sloeg echt door. Hadden we een groep opgerold, dan stopte het daarmee meteen.

Iedereen had hele verhalen of hield zich van de domme, maar wijzer werden wij er nauwelijks van". Hij zegt, dat hij aan alle dingen van de Duitsers heeft meegedaan ("behalve het aanhouden van mensen die voedsel bij zich hadden of het arresteren van Joden, de echte slachtoffers van deze oorlog"); dat vond hij zo minderwaardig, dat hij dat weigerde. Het werd geaccepteerd. Maar aan al het andere moest hij wel meedoen: de mensenjacht, mensen intimideren na hun arrestatie en soms ook tot executie overgaan. "Ik heb het zo vaak tegen heug en meug gedaan", spreekt hij bedachtzaam. "Ik wilde nooit een onmens zijn. Om die reden ben ik zeker geen aanhanger geworden van het fascisme ". En opnieuw met enige stemverheffing: "Het spijt mij zeer dat er zoveel goede mensen gevallen zijn. Nee, dat is geen berouw van een misdadiger, wel van iemand die met respect wil spreken over de mensen van de andere kant met wie hij toen te maken had".

Knokken.

Hoe komt iemand er toe -iemand die gewoon een innemend mens lijkt en waarschijnlijk een fijne grootvader voor zijn kleinkinderen is- zijn heil te zoeken bij het systeem van de verderfelijkheid? De gave des onderscheids had hij, ook toen al. Hij was een Groninger jongen, groeide op in Hoogezand. Vader was jarenlang 'grenscommies' (douanier) in Bellingwolde. De zoon kon goed leren en bezocht de HBS in zijn woonplaats en ging later studeren in Groningen. "Ik leefde in een verkeerde tijd, zou je kunnen zeggen. Ik wilde beroepsmilitair worden, een echte.

Ik wilde knokken, dat zat nu eenmaal in mij. Waar dat op de wereld ook zou zijn maakte mij niet uit". Hij was gemobiliseerd als dienstplichtige in Boneschans in Oost-Groningen en vocht er met de Nederlandse militairen tegen de binnenrukkende Duitsers. Er was geen strijden tegen. Fietsend gingen hij en zijn makkers naar Den Oever, waar het verzamelen was. "Toen ik weer ging studeren was ik verschrikkelijk kwaad. Deserteurs en landverraders heb ik degenen toen genoemd die naar Engeland uitweken. Met dat uitwijken had ik op zich geen probleem, maar naar Engeland.... Wanneer ze naar De West waren uitgeweken had ik begrip gehad. Nu niet. Ik accepteerde het ook niet. Maar ja, wat helpt dat?"

NSB-sympathiek.

Hij vatte zijn studie (voor notaris) weer op, ging toen hals over kop trouwen. "Maar ik zat wel zonder middelen. Geld lenen was aanvankelijk niet mogelijk. Ik solliciteerde links en rechts, werd uiteindelijk verzekeringsagent. Maar dat bracht de kost ook niet op. Daarvoor had ik geprobeerd bij de politie in Groningen te komen, maar dat mislukte uiteindelijk. Toen deed zich opeens de mogelijkheid voor dat ik in dienst kon treden bij de Duitse Sicherheitsdienst, een nieuw korps. Zo is het eerste contact met de NSB en met de Duitsers ontstaan. Maar ik moet eerlijk zeggen, dat de nationaal-socialistische beweging mij sympathiek was. Met de NSB-gedachte kwam ik in contact toen ik in dienst was. 'Boerenland in boerenhand', een kreet uit die dagen, sprak mij wel aan. Ik dacht toen ook fascistisch en las 'Mein Kampf' van Hitler". Zo kwam hij uiteindelijk in dat verkeerde kamp terecht, deed dingen die hij nooit voor mogelijk had gehouden.

Directeur.

Het ging hem, nadat hij in 1964 op vrije voeten was gesteld, maatschappelijk gezien merkwaardig goed.

"Zonder doel" had hij in de gevangenis economie gestudeerd. Nadat hij de eerste tijd alles aanpakte, waarmee hij zijn gezin kon onderhouden ("Ketelbikker was mijn eerste baan. Het was rotwerk, maar ik schaamde me er niet voor") vroeg een groot Engels (!) concern hem tenslotte financieel-directeur te worden van de Nederlandse vestiging. Er braken welvarende tijden voor hem aan, jaren waarin hij ver boven een ton verdiende. Totdat de fatale dag kwam en ze hem achter zijn bureau vandaan moesten trekken naar de klaarstaande ambulance: getroffen door een hartinfarct.

Dik zeventig is hij nu en hij ziet er opvallend goed uit voor zijn leeftijd. Hoe kijkt zo'n man terug? Het besef dat hij verantwoordelijk kan worden gesteld voor weinig fraaie daden in de oorlogsjaren is er. En ook dat hij daarbij tot het uiterste ging. Aan de andere kant wil hij er niet dramatischer over doen dan nodig is. Er is na de oorlog een oordeel over hem uitgesproken, hij is gestraft. En hij heeft die straf ondergaan. Daarmee is voor de nabestaanden van de slachtoffers de kous misschien niet af, erkent hij, maar het is wel een gegeven op basis waarvan hij er verder mee kan leven. Zijn stem daalt af wanneer hij vertelt over twee jodenfamilies die weigerden door hem te worden geholpen. Het had gekund, het had hun redding kunnen zijn. "Ze wilden niet. Het werd hun ondergang... Ik heb veel mensen met heel veel zedelijke moed ontmoet".

Scholtenshuis, een huis van Nazi-beulen.

Het Scholtenshuis op de Grote Markt. Wie van de oudere generatie kan deze naam zonder huiver uitspreken? Het oorspronkelijke huis van de industrieel W.A. Scholtens, de grondlegger van het aardappelmeelconcern, was in de oorlog het hoofdkwartier van de SD. Het had snel een beruchte naam. Nergens in Nederland was de SD zo fanatiek als in Groningen, nergens martelde de SD op zo'n grote schaal als in het Scholtenshuis. Er ging een vreesaanjagende dreiging vanuit in de oorlogsjaren. Wie er naar toe werd gebracht hoefde niet op mededogen te rekenen. Het Scholtenshuis: het exponent van Duitse beestachtigheid. Waar velen het leven lieten. Het bestaat niet meer. Alleen de herinnering is er nog, ook door de Naber-passage als herinnering aan de man uit het verzet die bang was de martelingen niet te kunnen doorstaan, die bang was zijn makkers te zullen verraden. Koos Naber sprong daarom uit een raam en liet daarbij het leven. Bij de bevrijding van Groningen vernietigden de Duitsers het Scholtenshuis.

Door SD gevangen vrouwen ook in kamp Westerbork.

Over het kamp Westerbork, dat voor meer dan honderdduizend joden doorgangshuis is geweest naar een afschuwelijke dood, vertelde ik u op 1 april jl aan de hand van een reeks foto's, die Meent W. van der Sluis uit Assen mij leende. Het is evenwel slechts aan weinigen bekend, dat aan het eind van de oorlog, korte tijd voor de bevrijding, in dit kamp ook nog een honderdtal politieke gevangenen, vrouwen en meisjes die vanwege hun illegale activiteiten in handen van de SD waren gevallen, hebben gezeten. Dit op zich zelf belangrijke facet van de doorgaans trieste geschiedenis van het beruchte kamp Westerbork, is merkwaardig genoeg in de naoorlogse beschrijvingen buiten beschouwing gebleven.

Mevrouw N. van der Meer uit Groningen attendeerde mij hierop. Zij heeft zelf als gevangene van de SD vlak voor de bevrijding in dit kamp gezeten. Zij maakte deel uit van een groep van 22 oudere en jongere vrouwen en meisjes uit deze streek, allen betrokken in uiteenlopende functies in de illegaliteit, die via het beruchte SD-hoofdkwartier in Groningen, het Scholtenshuis, in het Huis van Bewaring aan de Hereweg in Groningen gevangen zaten.

Mevrouw Van der Meer verzocht mij uitdrukkelijk namen van betrokkenen (en derhalve ook haar meisjesnaam en persoonlijke gegevens) buiten beschouwing te laten. Het ging haar uitsluitend om dit facet van het kamp Westerbork vlak voor de bevrijding toe te lichten.

De beul van het Scholtenshuis, Lehnhoff en enkele van zijn trawanten hadden in november 1944 een inval gedaan in haar huis in de stad Groningen. Haar man werd gearresteerd (hij werd op 8 december 1944 in Marum gefusilleerd), haar huis in beslag genomen en leeggehaald en zij werd op het Scholtenshuis vastgehouden voor verhoor en vervolgens op 24 december 1944 opgesloten in het Huis van Bewaring. Daar zaten veel meer vrouwen en meisjes van uiteenlopende leeftijd, allemaal gevangenen van de SD, die op ongeregelde tijden door SD'ers werden verhoord. Op 6 april 1945 kort voor de bevrijding, werden 22 vrouwen en meisjes uit de groep gehaald en in een geblindeerde bus gestopt en weggereden.Ze wisten niet wat hen te wachten stond en sommigen vreesden het ergste, want de SD'ers executeerden naar willekeur illegale werkers. Ze werden echter naar het kamp Westerbork gereden, waar ze midden in de nacht in een barak werden gestopt en zich in het donker een bed moesten zoeken.

Daar bleken al 94 vrouwen te zitten, afkomstig uit diverse plaatsen in het land, als Zwolle, Apeldoorn en Putten.

De volgende morgen, 7 april, moesten de nieuw aangekomenen aantreden. Ze werden geregistreerd (Mevrouw Van der Meer werd de laatst geregistreerde en kreeg no 116), moesten een blauwe overall aantrekken en zagen zich door Duitse bewaaksters (zgn "grijze muizen") de haren kort geknipt. Ze moesten in werkkleding en met klompen aan in een werkplaats accu's en batterijen uit elkaar peuteren, een bijzonder vies werk waar ze erg smerig van werden. Ze kregen eten van de nog in het kamp zittende joden. Uit alles voelde men dat de bevrijding naderde. De Duitse vrouwelijke bewaaksters vertrokken de een na de ander. Kampcommandant A.K. Gemmeker bleef achter met een honderdtal Duitse bewakers in uniform. Op woensdag 11 april, tegen 6 uur in de namiddag, moesten de gevangen vrouwen, 116 in totaal, aantreden. Bij de controle bleken er drie te ontbreken. Die hadden zich verstopt.

De order was, dat zij snel te voorschijn moesten komen, anders zou elke tiende vrouw van de rij worden doodgeschoten. Het drietal kwam tevoorschijn en kort daarna ging de groep op mars. De bedoeling van de Duitsers was met de groep vrouwen naar de vesting Holland te gaan, door Friesland en over de Afsluitdijk. Het bleek al gauw dat verschillende vrouwen niet in staat waren om te lopen en daarom werd de eerste nacht al bij een boerderij een paard met wipkar in beslag genomen, waarop diegenen, die niet konden lopen, konden zitten. Die nacht liep de groep tot Peelo, waar men overdag in een boerderij bivakkeerde. Donderdag, 12 april, omstreeks 3 uur ging het transport verder. Het aantal uitvallers was al groter en daarom waren alweer meer wipkarren met paarden gevorderd. De situatie was bijzonder gespannen, de bevrijding naderde en er scheerden regelmatig vliegtuigen laag over. De Duitsers kropen dan weg in de berm, maar de vrouwen moesten gewoon op de karren blijven zitten.

In Vries werd een sanitaire stop gemaakt. Dat moest, onder bewaking, bij burgers geschieden en het was een ieder verboden om te spreken. Niettemin lukte het verschillende vrouwen aan de mensen duidelijk te maken wie ze waren. Bij de brug over het Noord-Willemskanaal werd weer gestopt. Daar stond het inmiddels vol militairen en militaire voertuigen. In de nacht van donderdag op vrijdag trok de merkwaardige stoet door Helpman, over de Herebrug en door het stadscentrum van Groningen. Het was doodstil. Je kon een speld horen vallen en toch was de stad volgepropt met Duitse soldaten, in afwachting van wat er ging gebeuren. Ter hoogte van de melkfabriek De Ommelanden werd gestopt en werden de vrouwen ondergebracht in een grote boerderij.

Daar bleken ook allerlei Duitsers met fietsen en NSB-vrouwen op de vlucht te zijn. Op vrijdag 13 april, tegen de avond (de belegering van de stad Groningen door de geallieerden was toen inmiddels begonnen) zette de colonne van door Duitse bewaakte gevangen vrouwen zich weer in beweging. Er waren toen slechts weinigen meer die konden lopen. Verwaarloosd, moe en uitgeput zaten de meesten op karren. Zo kwam de stoet door Zuidhorn en door Grijpskerk in de nacht van vrijdag op zaterdag 14 april. Tegen half vier in de vroege ochtend kwamen ze bij een boerderij, waar ze uitgeput neervielen in een grote vlasschuur.

Kampcommandant Gemmeker hield de colonne in de gaten, rijdend op een motor met zijspan. Hij was tussentijds naar Groningen geweest, kennelijk om met de SD te overleggen wat hij met zijn gevangenen moest doen. Maar de SD-ers waren al uit Groningen gevlucht, richting Leeuwarden. Gemmeker ging toen naar Leeuwarden, waar hij de SD-kopstukken niet meer trof, want die waren inmiddels overgestoken naar Schiermonnikoog. Gemmeker liet toen in de boerderij nabij Grijpskerk de gevangen vrouwen aantreden. Niemand durfde naar voren te komen, want men vreesde executie. Gemmeker zag er evenwel kennelijk geen gat meer in en liet de uitgeputte vrouwen vrij. Hij zei tot ieders verrassing: "Sie sind entlassen". De meeste liepen terug naar Grijpskerk.

Daar was inmiddels bekend geworden wie deze vrouwen waren en de ontvangst was allerhartelijkst. Op zondagmorgen, 15 april, konden de voormalige gevangenen een douche nemen in de Boterfabriek; ze kregen pannekoekjes te eten en andere lekkernijen en ze werden ondergebracht bij de ingezetenen van Grijpskerk. Daags daarna, op maandag 16 april, waren de Canadezen in Grijpskerk. Zo snel mogelijk probeerde elkeen thuis te komen, naar of via de stad Groningen, door een binnenstad die grotendeels in puin lag. Ook het gehate Scholtenshuis was een ruïne en dat was dan een (schrale) troost.


Last update: 26-05-2009 by www.herdenking.nl