'Wij hadden te weinig oog voor de sub-top'

Uit: Emmer Courant zaterdag 20 januari 1990.


De Landelijke Officier van Justitie, belast met de opsporing van oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten uit de Tweede Wereldoorlog, blijft paraat, zolang de laatste oorlogsmisdadiger nog in leven is. Mr. P.M. Brilman gaat door, hoe klein de kans ook is dat nog iemand van de (naar schatting) 35 voortvluchtige oorlogsmisdadigers zijn straf zal uitzitten. De advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam spreekt van "een patstelling". Meer dan twee dagen per maand speurt hij dan ook niet meer. En de kans dat de oorlogsmisdadiger Jacob Luitjens uit Roden nog zijn straf komt uitzitten in Nederland? Ook die kans acht hij 'heel klein'. De stand van zaken, vijftig jaar na de Duitse inval in Nederland. Het wordt rustig aan het front.

Mr. P.M. Brilman draait er niet omheen. De juridische mogelijkheden om veroordeelde en niet-veroordeelde oorlogsmisdadigers nog aan te houden zijn minimaal. Recherchewerk in het buitenland is uitgesloten. Aanhouding kan alleen als de betrokkenen zo onvoorzichtig zijn Nederlands grondgebied te betreden. Twee dagen per maand blijken dan voldoende voor het beantwoorden van brieven en het uitzoeken van "dingetjes", waarvoor hij een beroep kan doen op een medewerker bij de Rijksrecherche. "Meer kan ik niet doen. Wat ik wel kan doen: ogen openhouden en signalen opvangen. Adequate actie ondernemen op momenten dat actie ondernomen kan worden. Een of twee keer per jaar ben ik in verhoogde staat van paraatheid. Een soort brandweerfunctie dus".
,BR> Maar als de brandweer toch nooit meer uitrukt, kunt u dan niet beter ermee kappen?

"Nee ik kan mij niet permitteren om de functie neer te leggen, zolang een aantal mensen dat met forse straffen is veroordeeld nog in het nabuur land woont. Mijn voorganger constateerde al in 1982 dat de functie weinig rendement oplevert. Maar na de behandeling van de zaak van De R., kampbewaker uit Ommen, en de reactie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad is duidelijk dat de functie moet blijven bestaan Die is absoluut niet in discussie".


"Er zijn talloze mensen te vinden dat het na vijftig jaar geen zin meer heeft oorlogsmisdadigers te vervolgen. Maar ik vind dat het voor een democratische rechtsstaat heel belangrijk is om serieus met het verleden in het reine te komen. Ik waardeer dat positief".

Maar juist De R. werd twee jaar geleden vrijgesproken door de Haagse rechtbank. De frustraties worden dan nog groter: de kampbeul komt voor het gerecht, maar ontloopt toch nog zijn straf...

"Ja, dat is een groot dilemma. Het gevoel is algemeen dat justitie iets moet doen aan oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten die nog rondlopen. Daarbij past direct een kanttekening. Want als iemand terechtstaat, dan moet men ernstig rekening ermee houden dat in dit tijdsgewricht het juridisch-technisch bewijs niet meer op tafel kan komen. Dat is de grote belangenafweging. Daarin moet het openbaar ministerie een besluit nemen, waarbij wij de minister van justitie raadplegen. In de trant van:'Hier is een zaak die wij ernstig genoeg nemen om voor de rechter te brengen, maar het is geen keiharde zaak. Wij zien bewijsproblemen. Willen wij als openbaar ministerie en u als ministerie van justitie op de koop toe nemen dat de behandeling voor de rechter in een vrijspraak zou kunnen resulteren? En riskeren wij dan de gevolgen voor mensen die teleurgesteld zijn en van wie de oorlogstrauma's misschien daardoor nog wel erger worden? Die beleidskeuze moet worden gemaakt. Tot nu toe is steeds gekozen voor berechting, ondanks het feit dat iedereen de levensgrote bewijsproblemen kent. Het belang om zichtbaar te maken wat wij doen vinden wij groter dan het belang om de zaak maar in de doofpot te stoppen".

Jacob Luitjens

Brilman is zeker van zijn zaak. Dat bleek ook al eerder op de dag tijdens het gesprek aan de Stadhouderskade in Amsterdam. De slepende gang van zaken rond de (inmiddels zeventigjarige) oorlogsmisdadiger Jacob Luitjens uit Roden blijft de gemoederen bezig houden. Het wachten is nog altijd op de uitspraak van de federaal rechter in Vancouver. De Canadese regering wil Luitjens (die in 1948 bij verstek tot levenslang werd veroordeeld) het staatsburgerschap ontnemen; daartegen is de ex-landwachter in beroep gegaan. Een uitleveringsverzoek van Nederland strandde op formeel-juridische gronden. Canada nam daarop zelf het voortouw. Brilman begeleidde zijn Canadese collega's bij het horen van getuigen in Nederland.

Vele getuigen werden ook overgevlogen naar Canada. Heeft het nog wel zin om zoveel energie en geld te steken in de vervolging van Luitjens? Volgens Brilman ligt de zaak in Canada in principe niet anders dan in Nederland. Luitjens staat model voor anderen. In Canada zouden nog veel oud-Nazi's leven. Een staatscommissie concludeerde dat serieuze verdenking bestaat tegen tenminste tientallen in Canada levende personen. Als Luitjens het staatsburgerschap wordt ontnomen, zullen ook die anderen de grond onder de voeten voelen wegzakken. "Voor elke zichzelf respecterende democratie is het een vervelend bericht dat zij nog oud-Nazi's herbergt. Ik veronderstel dat de onderzoekscommissie op grond van haar rapportage wil dat die mensen voor de rechter komen, maar in eerste instantie gaat het om een politieke kwestie die een rechtsstaat niet over zijn kant kan laten gaan. Strafrecht heeft ongrijpbare invalshoeken die met ethiek te maken hebben". "En wat Luitjens betreft, de Canadezen stelden vast dat de man in Canada niet strafrechtelijk kon worden vervolgd, maar administratief kunnen zij hem wel achter de broek zitten door hem het staatsburgerschap te ontnemen. Voor ons telt alleen of de Canadezen hem uiteindelijk over de grens zullen zetten".

En als hij wordt uitgewezen?

"Dan zal hij worden uitgezet. Dan kan hij naar het land dat hem zou willen opnemen. Hij wordt alleen over de grens geduwd. De vraag naar welk land hij gaat zal de Canadezen worst zijn".

De kans dat hij in Nederland zal terechtkomen is dus heel klein?

"Ja, die kans is heel klein. Tenzij het zo is dat niemand hem wil hebben. Maar dat is nog heel specu- latief. Ik zie dat nog niet een, twee, drie gebeuren. Ik zie het niet gebeuren dat hij na de uitspraak van de federaal rechter bij ons op de stoep staat. Ik sluit niet uit dat hij weliswaar zijn nationaliteit verliest, maar dat hij het land toch niet wordt uitgezet. Om humanitaire redenen of zoiets".

Geen 'freak'

Paul Melchior Brilman is geen "Tweede Wereldoorlog-freak". Wel iemand die al in zijn studententijd een bronnenpublikatie tegen oorlogsmisdadigers verzorgde. In 1979 begon mr. L.A.R.J. de Beaufort aan zijn werk als Landelijk Officier van Justitie Oorlogsmisdrijven. De nieuwe functie was het antwoord op het groeiende gevoel in de Nederlandse samenleving dat te weinig was gedaan aan de vervolging van oorlogsmisdadigers. De zaak Menten was olie op het vuur. En dan was er de 'Groninger groep', die zich nadrukkelijk profileerde en het recht in eigen hand wilde nemen. Een mijnheer 'Van der Velde' spoorde met medestanders een aantal oorlogsmisdadigers op. De Beaufort, die zijn functie drie jaar heeft uitgeoefend, concludeerde al dat de juridische mogelijkheden om oorlogsmisdadigers nog in te rekenen heel beperkt zijn. Brilman, sinds 1987 ook advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam, wist waaraan hij begon.

Het pad dat de Landelijke Officier van Justitie belast met de opsporing van oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten moet volgen, loopt bijna altijd dood. Hij zoekt Duitsers die in Nederland oorlogsmisdrijven hebben gepleegd en Nederlanders die in Duitse dienst zijn gegaan of op een andere manier hebben gecollaboreerd. Bijna al die mensen wonen in de Bondsrepubliek en hebben de Duitse nationaliteit. Uitlevering is niet mogelijk. De ex-Nederlanders zijn doorgaans bij verstek veroordeeld of zijn na hun veroordeling gevlucht. Een ander probleem is de verjaring van oorlogsmisdijven, waardoor het voor het openbaar ministerie veel moeilijker is geworden om nog bewijslast te vergaren. In 1960 verjaarde in de Bondsrepubliek het delict 'doodslag'.Moord blijft strafbaar, maar het Duitse begrip 'Mord' verdient nadere uitleg. Alleen als justitie kan bewijzen dat de moord is gepleegd op wrede, achterbakse of laaghartige wijze, geldt de verjaring niet. Brilman:"Het is vrijwel onmogelijk om te bewijzen met wat voor een inwendige motieven iemand aan het werk is geweest".

Bijzondere rechtspleging:

"Nee, dat denk ik niet". De constatering luidde dat Nederland te weinig heeft gedaan aan de vervolging van oorlogsmisdadigers. Volgens Brilman is er voldoende energie gestoken in de vervolging, en dan gaat het om de periode tussen 1945 en 1952- de jaren van de bijzondere rechtspleging. De landelijke officier van justitie spreekt over 'losse einden', zaken die tussen wal en schip zijn terechtgekomen. Hij onderschrijft een recente studie van de historicus Peter Romijn, die concludeert dat de bijzondere rechtspleging heel behoorlijk heeft gewerkt. "Dat vind ik ook. Kijk, mensen zien dat nog een aantal oorlogsmisdadigers rondloopt die justitie nooit heeft kunnen krijgen.

Dan ontstaat al gauw het beeld dat het grote rotzooi zou zijn geweest. Niet dat ik van een ideale situatie spreek. Ook ik heb uitgesproken kritiek. Wij hebben ons teveel geconcentreerd op de 'kleine' uitvoerders - de mensen die roofden, plunderden, mishandelden en ook wel moordden- en het niveau dat daar vlak boven ligt". Met andere woorden, de 'top' (met mensen als Reichskommissar Seyss-Inquart en de Höherer SS und Polizeiführer Rauter) en de 'kleine' uitvoerders zijn berecht.

"Naast die mensen was een enorm middenkader (zeg maar sub-top) waarvoor wij nooit veel oog hebben gehad. Die mensen zijn verhoudingsgewijs ongeschonden uit de strijd naar voren gekomen. Neem een figuur als Harster, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und SD in Den Haag, een man die direct onder Rauter werkte. De man is er vrij genadig van afgekomen (hij kreeg twaalf jaar; EvT), terwijl zijn ondergeschikte Aus der Fünten tot bijna het einde van zijn leven in de gevangenis heeft gezeten".

"Voor een goed begrip: ik zal nooit zeggen dat oorlogsmisdadigers als Aus der Fünten en Fischer geen gerechte straf hebben gekregen, maar ik zeg wel wat anders. De échte beslissers zijn weliswaar veroordeeld in Nederland, maar zijn er relatief goed van afgekomen. Bovendien zijn te weinig van deze mensen aangepakt". De zelfkritiek sluit aan bij wat Lou de Jong concludeert in zijn 'Epiloog': te weinig doodstraffen zijn uitgesproken tegen de "moordenaars" en "Jodenjagers"; te lichte straffen zijn opgelegd aan de hogere Duitse functionarissen.

Top Tien

De Simon Wiesenthalstichting hanteert een Top Tien van oorlogsmisdadigers die over de wereld is uitgezwermd. De Top Tien van Brilman beperkt zich tot een groep mensen die in Nederland veroordeeld zijn tot de doodstraf of levenslang hebben gekregen, maar nooit hun straf hebben uitgezeten. Oorlogsmisdadigers die vaak betrokken zijn geweest bij de'Silbertanne-moorden', waarbij als repressaillemaatregel verzetsmensen of mensen uit hun naaste omgeving zonder een vorm van proces werden doodgeschoten- vaak in de deuropening. Van het totale bestand van 35 mensen die nog op de lijst van Brilman staan woont het merendeel in de BRD; Luitjens verblijft in Canada, Kipp en Olij verblijven ergens in Argentinië en nog eens twee oorlogsmisdadigers in Spanje. Achttien behoren tot de categorie van mensen die levenslang hebben gekregen of aan wie de doodstraf is opgelegd. Allen ex-Nederlanders, van wie vaak de verblijfplaats bij justitie bekend is. Maar zolang zij de grens niet oversteken kan justitie niets doen.

Had hij, achteraf gezien, niet meer van zijn baan als landelijk officier van justitie oorlogsmisdrijven verwacht?

"Nee. Mijn voorganger was helemaal vrijgesteld voor dit werk, ik niet. Van hem wist ik dat er juridisch geen perspectief meer in zat. Wat telde was de kennis en het opsporingsapparaat laten voortbestaan om te kunnen ingrijpen op momenten dat echt nodig zou zijn. Vergeet niet dat er nog zeven zaken zijn geweest die niet zouden hebben gediend als wij er niet waren geweest".

In de tijd dat Brilman actief is werden nog twee nieuwe zaken geopend tegen T. en De R. In beide gevallen vonniste de rechtbank vrijspraak. "Het belangrijkste effect van mijn functie is dat oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten niet naar Nederland zullen komen. Dat maakt hen onzeker".

De Twee van Breda lieten wij gaan, terwijl wij die andere oorlogsmisdadigers niet kunnen krijgen... "De Twee van Breda, Fischer en Aus der Fünten, hebben na de oorlog hun straf goeddeels uitgezeten. Zij behoorden tot een heel andere categorie dan 'mijn' mensen die hun straf nog niet hebben ondergaan of nog niet veroordeeld zijn. Nee, ik zie daarin geen paradox".

Ed van Tellingen



Last update: 09-12-2006 by www.herdenking.nl